29. Cees Leeuwenburgh als Krijgsgevangene en oppasser van de Gouverneur Generaal

Cees Leeuwenburg  geboren 1 september 1919 geboren in Poerwodadi.

Cees Leeuwenburgh

Cees Leeuwenburgh

Poerwodadi lag ongeveer 15 km ten noord-westen van Madioen, aan de weg en aan de spoorlijn naar Ngawi, ongeveer halverwege Madioen-Ngawi tegen midden-Java.

Cees zijn jeugd werd wel in zijn manuscript verteld, maar van wege het bijzondere aan dit verhaal wil ik u meenemen daar waar zijn Militaire leven begon en direct ook zijn krijgsgevangenschap in Mantsjoerije waar Cees als oppasser van Zijne Excellentie Gouverneur Generaal Tjarda van Starkenborgh Stachouwer en de legercommandant  Lt. Generaal Hein ter Poorten, begeleidde op hun verscheping naar Singapore, Japan, en Taiwan om uiteindelijk te stranden op Formosa waar hij en de GG en Luitenant Generaal ter Poorten hun krijgsgevangenschap werden gevangen gehouden.

Hoofdstuk IVMobilisatie en krijgsgevangenschap

Toen de NIROM op 8 december 1941 bekend maakte dat Nederland aan Japan de oorlog had verklaard en dat alle Dienst- en Landstormplichtigen zich onverwijld op hun mobilisatie-bestemming moesten melden, heb ik een taxi besteld.

Nirom gebouw Batavia

Nirom gebouw Batavia Nederlands-Indië Radio Omroep

Het afscheid van Saboet was aandoenlijk. Ik heb hem toen voor 3 maanden geld gegeven.  Niet alleen had ik zelf daarna niet veel meer, maar de algemene gedachte was toen dat een oorlog tegen Japan echt niet lang zou duren.  Saboet huilde hevig, het was alsof hij voorvoelde dat dit een afscheid voor altijd was!  Ik heb hem inderdaad nooit meer terug gezien.

Ik heb de taxi-bestuurder gezegd dat ik naar Fremantle wilde. Oh, hij wist waar dat was want hij was er al een paar keer geweest!  De rit ging via Bentjoeloek, Kalibaroe, de ondernemingen Kalibaroe, Djatirono,

82

Een bedrijfsauto van de onderneming Djatirono bij kalibaroe

waar ik bij de Adminstrateur, de familie Zeef, ben aangekeerd, en  Kongsi Tengah.  Naderhand heb ik vernomen dat dhr. Zeef, na door de Kempetai beschuldigd te zijn van subversieve activiteiten, evenals Dr. Nijk, diens verpleger de heer Donkers en een aantal andere in de cultures werkzamen waarvan wij de meesten persoonlijk kenden, na folteringen en mishandelingen , nabij Djember onthoofd zijn.

Vader en Moeder, die ook het bericht van de NIROM hadden opgevangen, verwachtten mij eigenlijk al en waren ondanks het late uur nog opgebleven! Gelukkig dachten we toen “ach, een kwestie van een paar maanden, dan ben ik weer terug!”

 

Hoofdstuk IV       Mobilisatie en Krijgsgevangenschap.

             

De volgende ochtend heb ik de vroege sneltrein naar Soerabaia genomen en mij later op de dag in de Wonokromo-Kazerne bij de Luchtdoel Artillerie gemeld waarna een volgende fase van mijn leven begon!

Nadat ons extra kleding en bewapening was verstrekt, werden  wij een paar dagen later naar een, kennelijk door de Genie opgezette houten behuizing op het Marine Etablissement in Perak (het Havengebied van Soerabaia) verkast.  Het bouwsel stond zo’n 1 ½ meter van de muur van het Gasschool-gebouw.  We sliepen allen naast elkaar, op planken, 1 meter boven de grond en met een dun tikartje (van strohalmen gemaakt ligmatje) als matras.  Ik heb me al gauw een dunne bultzak aangeschaft en kon daarna lekkerder slapen!  Drie maal daags werd “de pot” aangevoerd.

Afbeelding (7)

Marine Etablissement Perak te Soerabaja

Onze Sectie stond onder commando van Sergeant Fijn van Draadt.

Hij liet ons regelmatig de loodrechte ijzeren ladder naar het platte dak van de “Gasschool” beklimmen voor oefeningen met de twee daar opgestelde  12,5 mm. Luchtafweer-mitrailleurs en een afstandmeter.  Een derde mitrailleur was op een ander nabij gelegen plat dak opgesteld.

Sergeant Lammerts van Bueren was met zijn Sectie, niet ver van ons, dicht aan de Kali Mas gelegerd.

Om de tijd te doden speelden we graag een kaartspelletje of speelde ik patience , wat ik sindsdien nog vrijwel dagelijks voor het slapen gaan en bij het opstaan doe!

Bij de eerste Japanse luchtaanval en ook daarna vielen zware bommen in het Havengebied, niet ver van ons.  Naderhand vernamen wij dat Sergeant Lammerts van Bueren, wiens Sectie eerder een laag overvliegende “Navy O” had neer gehaald, bij die luchtaanval met zijn mensen een “veiliger” heenkomen had gezocht in de nabije schuilkelders.  “Je kunt immers met een mitrailleur toch niets uitrichten tegen die hoog over-vliegende bommenwerpers!”  Helaas viel er toen ook een bom op een van de schuilkelders! Ook mijn vriend, Korporaal Kukus, bevond zich onder de slachtoffers.

Bij een volgend luchtalarm werden wij, toen we achter mekaar die steile ladder op klommen, door een Marine Officier tegen gehouden.  Nadat hij vernomen had wat er op dat dak stond opgesteld, verbood hij ons om dat geschut te gebruiken!  “Dat dak is daar niet op berekend en zou door de trillingen kunnen instorten!”     Daar sta je dan met je goeie gedrag !!

Al gauw werden wij, zonder luchtafweer-geschut!, verkast naar een buiten het M.E. staande optrek.  Vreemd was dat daar een Militaire truck was achter gelaten!  “Halen ze nog wel op” werd er gedacht.  Een paar dagen later kregen Dick Saayers en ik (voor het eerst!) verlof om te “passagieren”.

Dick wilde een kennis opzoeken en nodigde mij uit om met hem mee te gaan.  Toen wij op de Darmo Boulevard liepen kwamen ons auto’s tegemoet van waaruit door middel van luidsprekers iedereen werd aangemaand de weg te verlaten!

Inderdaad hoorden wij uit de richting van Wonokromo geweer- en mitrailleur-schoten!  Dat wijl ons “nieuws” ons wilde doen geloven dat de Japanners zich nog in het gebied van Midden-Java bevonden!

De volgende ochtend werd op het M.E. al vroeg de “zwarte-aarde-politiek” ingezet! Wij kregen opdracht om ons naar de Haven te begeven vanwaar wij overgezet zouden worden naar Madoera.

Toen ik Sgt. Fijn van Draadt vroeg hoe de bemanning van het iets verderop gelegen Fort “Kali Dawir” (10,5 cm. Luchtdoel kanonnen) van daar weg moest komen, was diens antwoord “dat weet ik niet”!

Hoewel ik geen rijbewijs had en ook nog niet eerder zo’n truck gereden had maar wel vaak naast een bestuurder ervan had gezeten, besloot ik met die nabij staande truck naar dat fort te rijden.  Bij binnenkomst moest ik betrekkelijk dicht voorlangs de al in brand staande munitie-bunker rijden!  Snel er door, gauw zo veel mogelijk manschappen inladen en weer weg wezen!

Toen we bij een brug over een modderig en stinkend water kwamen, bleek die brug al opgeblazen te zijn!  De weg was te smal om te kunnen keren dus werd de truck daar achter gelaten en namen we (lopend), de korste weg naar het M.E.  Deze weg voerde ons ook langs mijn laatste onderkomen dat al totaal verlaten bleek te zijn! Ja, ook mijn ransel en lekkere bultzakje hadden ze (gelukkig?) meegenomen.  In de muur om het M.E. zagen we een gat!  Na  door dat gat gekropen te zijn zag ik een groot aantal jonge (inheemse) kerels in de richting van een gebouw rennen. Nieuwsgierig geworden, liep ik er ook heen en zag hoe die horde zich meester maakte van pistolen, revolvers en allerlei andere vuur-wapens en munitie.  Van alles lag er voor het grijpen!  Kennelijk waren enkelen hier eerder geweest want zij wisten goed de weg!

Ik heb toen veiligheidshalve ook maar een pistool met gevulde houder in mijn zak gestoken! “Je kunt immers nooit weten!”

Gelukkig kon ik met een aantal andere militairen naar Kamal worden overgezet.  Hier vernam ik dat “Luchtdoel-militairen” in Soekolilo zouden worden ondergebracht.  “Hoe kom ik daar??  Begin maar te lopen!” waren mijn gedachten. Op mijn wandeling kwam ik langs de (lege en verlaten ) passar  hoewel, . . . . . . ik zag daar een aantal ransels staan!  Zou die van mij daar ook staan?  Ik herkende de mijne niet maar nam toch maar een mooie, goed gevulde op mijn rug en een andere in de hand.  Wat er in zat interesseerde mij voorlopg niet!

Wij kregen al vrij vlug een “lift” naar Soekolilo, een voormalige z.g. Open-Leprozerie.  Met wij bedoel ik een aantal militairen, heus niet allemaal Luchtdoel-artilleristen!  ’t Was daar dan ook een allegaartje en ik ben er geen van mijn “collega’s” tegen gekomen!  Waar ik na aankomst wel erg nieuwsgierig naar was, was de inhoud van die ransels!  Het “mooie” ransel bevatte: scheergerei,, een aantal stukken zeep en blokken Lux-zeep, zakdoeken, kousen, ondergoed en mij veel te kleine, broeken en overhemden.

In de andere zaten: 3 te korte broeken (die ik, na ze boven de knie afgeknipt te hebben, best kon gebruiken!), wat ondergoed, een kam, spiegel en schaar.  Die kwamen goed van pas evenals een pakje sigaretten (kon ik meteen mijn van Jaap gekregen koker bijvullen!) en nog een paar kleinigheden waar ik geen belangstelling voor had   maar..geen overhemd of  jas!  Ik moest dus wel heel zuinig zijn op hetgeen ik aan had!

Na het nodige in het “mooie” ransel gestopt te hebben, deed ik al het overige in het andere ransel en zette dat buiten de deur.  Nog voor het ding – bij wijze van spreken – de vloer had geraakt, vroeg een wat oudere man “wilt u dat ransel niet meer hebben?  “Nee, wat mij betreft mag u het hebben”.  “Oh dank u zeer, ik ben de mijne kwijt geraakt!”  En ik maar hopen dat hij niets van de inhoud zou herkennen!

 

Al gauw kregen wij gezelschap van Japanse militairen die helemaal geen zachtaardige beesies bleken te zijn!  Werden de Japanners voor de oorlog in Indie als elite onder de niet-Europeanen beschouwd en behandeld, dit waren onbeschaafde kerels!  O.a. belust op vooral Mido-horloges!  Ik was de mijne dan ook al na een paar dagen kwijt!  Ze vroegen je heel vriendelijk of ze het mochten hebben maar als je het niet vlug genoeg afstond kon je een flinke draai om de oren krijgen!

Mido Horloge gelijk van Kees Leeuwenburgh

Mido Horloge gelijk van Kees Leeuwenburg

Een Reserve Luitenant trachtte strijdlustigen te verzamelen die met hem, een guerilla tegen de Japanse strijdkrachten wilden voortzetten.  Voorlopig zou die strijd in Madoera gevoerd worden maar spoedig naar de bergen en bossen van Oost-Java verhuizen!  Ik denk niet dat er iets van dat krankzinnige plan terecht is gekomen.  Wel staat me zoiets bij als dat  die man, na een vluchtpoging, door de Japanners gepakt en ter dood gebracht is.

 

Ons onderkomen in Soekolilo was voor de Jap waarschijnlijk een te moeilijk te bewaken complex, te dicht bij zee en niet omheind.  Daarom verhuisden wij al gauw naar het Kampement van de Barisans in Kamal.  Daar werd ons – vaak hardhandig! – de betekenis van een aantal Japanse woorden bijgebracht, zoals Jotskei (geef acht!), Keirei (buig/groet!), Naorei (sta!) en Jasmei (op de plaats rust!).  Dit buigen voor iedere Jap werd geacht ook een eerbewijs aan hun keizer te zijn en het nalaten zou streng gestraft worden!  Ook aan  “Tengko” (appel) met het bijbehorende “koppen tellen” moesten wij wennen.  Wij moesten ons dan in rijen van 4 opstellen waarna de voorste mannen een opeenvolgend nummer moesten afroepen zoals: Ietch, Nie, San, Sie, enz.

Ons verblijf hier was maar van korte duur!  We verhuisden naar een grote J.C.J.L-goederenloods in Perak, de haven van Soerabaia.

Met zo’n 1300 man moesten wij een plaatsje op de cementen vloer zoeken!  Ik miste mijn lekkere bultzakje wel!  Omdat onze bewakers zo af en toe tijdens een ronde, onze “bezittingen” inspecteerden, heb in veiligheidshalve mijn pistool en munitie maar snel onder de zeespiegel verstopt.

Corveeen was zowaar een welkome ontspanning, een tegenwicht voor het eeuwige Tengko! Een van de werkjes die wij moesten doen was het opruimen van de resten van een grote brand die in een andere loods had gewoed.  Door oorlogshandelingen was het dak van die loods aardig lek geraakt en de regen had er voor gezorgd dat de opgeslagen kapok ging broeien.  De daardoor ontstane brand had vrijwel de hele loods in de as gelegd!  De niet-verbrandde kapok moesten wij in grote Madoerese prauwen laden, een mooie gelegenheid voor mij om nieuws uit te wisselen.

Alle andere rommel werd door trucks afgevoerd.  Vanzelfsprekend kwam hetgeen van onze gading was, in geen van beiden terecht!

De wacht bij de ingang van onze loods was (nog) niet zo streng en zo nam ik eens een 500 Watt lamp mee, compleet met fitting die door aanschroeven op twee draden kon worden aangesloten.

“Thuis” gekomen ben ik met die lamp in een ijzeren pilaar naar de hoogste electrische bedrading geklommen en heb die lamp daar geinstalleerd.  Ik ben toen wel geschrokken want hij ging onmiddellijk aan!  En wat een licht!  Gelukkig werd de spanning op die draden niet onderbroken door de schakelaar waarmee de overige verlichting werd geregeld en hadden we na 22.oo uur toch nog licht.  De tocht naar de begane grond verliep heel wat sneller, zonder die grote lamp bij me!  Vreemd dat de Jap die “nachtverlichting” niet op viel of,  bekommerden zij er zich niet om?

Een andere keer kwam ik “thuis” met een grote glazen stopfles.  Mijn “slaapjes” stelden meteen voor om tapih te maken, een product, verkregen door aan rijst, cassave of ander zetmeelhoudend materiaal, ragi (gistcellen)  toe te voegen.  De volgende ochtend, op weg naar een corvee, kwamen we langs een aantal eetwaar-tentjes.  Ik riep een van de Madoerese vrouwen toe   “ heb je straks, als we terug gaan, wat ragi-bolletjes voor me ?”

Inderdaad, op de terugweg gooide ze een pakje naar me.  Er zaten 6 ragi-bolletjes in. Ik heb haar met de haar toegegooide gulden niet te kort gedaan.

Die avond had ik ruim voldoende aanbod van rijst, door velen opzij gehouden van het karige avondeten!  Ja, want tapih was immers zoveel gezonder dan gewone rijst!

De volgende ochtend besloot ik de stop goed op die fles te drukken want de lucht was bezwangerd met stof!  Met zoveel man in een niet geventileerde ruimte met een niet-afgepleisterde,  cementen vloer, hoe kon dat ook anders?!

De nacht daarop werd ik gewekt door een harde knal op korte afstand!  Ik, en ook de anderen, roken het meteen!  De afgesloten stopfles was onder de druk, ontstaan door het gistingsproces, bezweken!  En die heerlijke tapih ging onze neus voorbij! Eigenlijk ook niet want tot ver in de omtrek werd een ieder er aan herinnert hoe lekker tapih is! Maar . . .  ook de Jap zou het kunnen ruiken!  Met vele handen hebben we toen, beetje bij beetje, de scherven en de tapih naar de steiger gebracht en in zee geloodst !

In opdracht van de Jap moesten wij  ons van onze haardos ontdoen!

Ik was wel blij want ondanks dat het knippen “een kapitaal!”kostte, het “haaronderhoud” met alleen water had niet veel om het lijf, maar vooral konden die Jappen mij, omdat ik met mijn 1.86 m. boven hun uitstak, niet meer aan mijn haren omlaag trekken!  In vervolg diende iedereen zijn haar zo kort te houden dat het niet mogelijk was om het tussen twee vingers te grijpen!  Hij die in het bezit was van een tondeuse kon zich gelukkig prijzen!

Het eeuwige Tengko-gedoe eiste een slachtoffer!  Bij nacht en ontij kon er Tengko geroepen worden!  Dan moesten we allemaal weer aantreden en werden de “koppen geteld”!  Nadat we vernomen hadden dat de (nog) niet geinterneerde Nederlanders verplicht werden zich te laten registreren en daar ook goed voor moesten betalen, maakte een van onze jongens (ik meen dat hij Pardoen heette) zich zorgen over zijn (alleen wonende) moeder want zij had beslist niet zoveel geld om dat te kunnen betalen! En, diverse uitbetalingen waren “opgeschort”!

Na heel veel moeite en met de volle medewerking van onze tolk (Reserve 1e Luitenant bij het KNIL, voorheen handelsattache in Japan) mocht hij onze Japanse Kampcommandant spreken en vragen om diens medewerking om het geld dat hij (Pardoen?) nog bezat, aan zijn  moeder te doen afgeven.

De ploert weigerde !

Die avond werd er weer Tengko geroepen en ja hoor, er werd 1 man vermist!

De volgende ochtend meldde P (zo zal ik hem verder noemen) zich al vroeg bij de Japanse Kampwacht.  Voor straf werd hij aan een zuil van de toegangspoort gekluisterd !

Op een been staand, het andere been omhoog, bij de enkels gebonden aan zijn op zijn rug samengebonden polsen en om z’n hals een draad, iets hogerop vastgezet aan de zuil! Hij kreeg geen eten, wel af en toe een slokje water!

Regelmatig gluurde een van ons om te zien of P. daar nog stond en als een duim omhoog ging, hoorde je een zucht van verlichting door de hele loods gaan! Ook gedurende de nacht werden we op dezelfde wijze van de toestand op de hoogte gehouden.

We vernamen dat P. zich in het donker, bij de steiger in het water had laten zakken, langs de kant naar de overzij was gezwommen en vandaar “naar huis” was gelopen! Niet alleen het weerzien, ook het geld was daar heel welkom!  Bedenk dat in die tijd geen uitkeringen (pensioenen e.d.) uitbetaald werden en dat alle bankgelden geblokkeerd waren. P. is na zijn thuisbezoek weer onmiddellijk naar onze loods terug gekeerd.

Die middag werd hij eindelijk van zijn ketenen bevrijd!

Hij mocht met de Japanse Kampcommandant, in gezelschap van onze tolk, een glaasje sake (uit rijst gebrouwde soort jenever) drinken, een dronk op het goed doorstaan van zijn straf!  Even later kwam een Japans soldaat met een pikhouweel en een spa waarna het gezelschap zich opweg begaf naar een doorgang tussen twee haven-loodsen.

Daar aangekomen moest P., die de pikhouweel en spa zelf daarheen had moeten dragen, een kuil graven door een dikke bitumenlaag en in een keiharde ondergrond!

Toen het gat (volgens die Jap!) voldoende diep was, kreeg P. opdracht om aan het voeteinde, met z’n gezicht naar dat gat gericht, te gaan staan.  Vervolgens ging de ploert achter P. staan, trok zijn revolver en schoot P. in het achterhoofd! Onze tolk moest daarna het gat dichten!

Na dit gebeuren werd ons kampleven steeds onaangenamer!

Het was ter herdenking van de geboortedag van Meiji Tenno (de hersteller van het Japanse keizerschap) – de juiste datum ben ik vergeten- dat de geinterneerden bezoek van familieleden mochten ontvangen.  Om ongeveer 11 uur vroeg onze kampleiding om vrijwilligers die een keten moesten vormen tussen arriverende bezoekers en hun in de loods bevindende familielden.  Ik verwachtte geen bezoek, gaf me daarom op  en werd een plaats toegewezen, daar waar het eerste contact zou plaats vinden. De bezoek(st)er werd door verwezen naar een andere loods waar de ontmoeting met de opgeroepen relatie zou plaats vinden.

Het was duidelijk dat de Japanse doorlaatpost aan de Perak Boulevard de bezoekers een tijd had opgehouden want tegen 2 uur kwam als een golf een groot aantal oververmoeide en uitgeputte mensen op ons af!

Snelle doorgang was geboden!  Na gedurende ongeveer een half uur namen gevraagd en afgeroepen te hebben, stond een oud vrouwtje met een zware koffer en een dito valies, voor me.  “Voor wie kan ik zeggen dat u komt?”  “Voor jou !”  Enige tellen waren we beiden sprakeloos!

Ik heb toen snel voor een aflossing gezorgd, de koffer en valies overgenomen en samen de korste weg naar de ontmoetingplaats genomen!  Moeder, (58) vertelde dat een kennis mij in een “Perak-ploeg” had gezien.

Toen ze hoorde over de mogelijkheid van familiebezoek, is ze de dag tevoren, met gevulde koffer en valies per dogkar naar Kalibaroe gereden vanwaar ze met de tein naar Soerabaia ging!  Ze kon bij een kennis overnachten en was om 9 uur op weg gegaan naar Perak.  Bij de doorlaatpost moest ze uit de betjak stappen en was verplicht tot over eenen in de volle zon te wachten alvorens de bezoekers toestemming kregen om de laatste 1½ Km. lopend en sjouwend, af te leggen!  Ook op het station Soerabaia Goebeng mocht geen kruier haar helpen!

Moeder vertelde o.a. dat mijn beide broers vermoedelijk krijgsgevangenen waren en dat Vader en Jules ergens als burger-geinterneerden werden vast gehouden.

Zij was wel eenzaam, zo alleen op de onderneming maar voelde zich veilig nadat ons werkvolk haar verzocht had niet weg te gaan! “Ik heb het een en ander voor je te eten meegenomen en ook wat kleren”.  En dat wijl zij het zelf beslist ook moeilijk had! Ik heb me toen en ook vaak daarna, afgevraagd “Kent Moederliefde grenzen??”  Om 4 uur moesten de bezoekers weer weg!

Daags na dat bezoek werd vrijwel alle etenswaar door onze Japanse bewakers ingepikt!  Gelukkig had ik al een groot deel verstopt en ook verdeeld onder minder fortuinlijke kampgenoten.   Ik heb dit Moeder nooit verteld!

 

Waarschijnlijk in verband met de toenemende Japanse Maritieme activiteiten, moest ook het “Perak-kamp” ontruimd worden. Wij verhuisden naar het ruimere Jaarmarkt-kamp, vanwaar wij ook dagelijks op corvee moesten.

In dat kamp was een vrij grote groep burger-geinterneerden ondergebracht. Een van hun, een oude heer, vroeg mij of ik aan lomboks kon komen.  “Misschien kan ik daarmee dat eten van hier gemakkelijker naar binnen krijgen!”  Op weg naar onze corvee-plaats vroeg ik de Madoerese  vrouw van het eetwaren-tentje of zij voor mij, op onze terug weg wat tjabee zou hebben. Inderdaad gooide zij, toen wij weer langs kwamen, een pakje naar mij.  Bij het binnengaan van het kamp zag ik dat de voorsten van “onze stoet” gevisiteerd werden!  Ik heb gauw het pakje geopend en de tjabee’s in mijn schoenen laten zakken.  En dat heb ik geweten!!  Ondanks dat ik niet zo ver meer hoefde te lopen, was dat ver genoeg om dat spul te mangelen en mijn voeten het gevoel te geven alsoof ze in brand stonden!

Toen ik die oude heer verontschuldigend vertelde wat gebeurd was, zei hij “Ach niet erg Njo, lombok blijf lombok!  Ik kan ze toch ook niet heel inslikken!

En hij was zowaar nog dankbaar ook, voor het moes dat ik hem wat later overhandigde!

Ook in het Jaarmarkt-kamp ben ik niet lang gebleven.

Per trein ging ik met een grote groep naar Batavia, de route die voor velen de laatste reis op Java was, op weg naar Sumatra, Changi-Jail, Birma-spoorweg, Japan, Moekden etc..  De dag na binnenkomst in het Xe Bat.-kamp, was ik er getuige van hoe de beruchte Sonei zijn sadistische lusten botvierde op een al haast uitgemergelde kampgenoot omdat die tijdens het buigen de voeten niet aaneen gesloten had!  Nadat de jongen ineen gezakt was, draaide Sonei zich om en vervolgde zijn weg door het kamp, … op zoek naar een volgend slachtoffer!

Het was medio december 1942 toen ik bezoek kreeg van Kolonel W. Van Kuilenburg –oud HBS-vriend van mijn vader – die mij vroeg of ik er voor voelde om als “oppasser” met de z.g.”Special Party”  mee op reis te gaan.  Sonei had deze groep, bestaande uit ; Z.E. de G.G., Lt.Gen. ter Poorten,

Tjarda van Starkenborgr Stachouwer - kopie

Interneeringskaart Tjarda van Starkenborgh Stachouwer

Ter Poorten Legercommandant - kopie

Interneeringskaart Ter Poorten Legercommandant

 

 

 

 

 

 

8  Generaal Majoors, 22 Kolonels, 5 Kapt. ter Zee,  en 10 Engelse, 1 Australische en 1 Amerikaanse Opper-Officier en hun oppassers, doen weten dat ze met 25 Nederlandse oppassers, zich gereed moesten maken voor vertrek naar een koude streek (???). Zonder aarzelen zei ik “graag”

Daarna bedacht ik hoe ik mijn moeder hiervan op de hoogte kon stellen. Op het Koningsplein, waar wij dagelijks corvee deden, had ik een Madoerese sate-verkoper gezien.

De volgende dag slaagde ik er in een kort gesprek met hem te voeren. “Ben je wel eens in Oost-Java geweest?”  “Ja, ik heb daar op een rubberonderneming gewerkt”.  “Zou je iets naar mijn moeder nabij Krikilan willen brengen?”  “Oh ja, ik wil hier toch weg want de mensen hebben geen geld meer om sate te kopen!”

“Ik zal je morgen iets geven waar haar naam op staat.  Vraag in Krikilan maar naar de onderneming Sidodadi.  Ik kan je geen geld voor de reis geven maar mijn moeder zal je wel belonen”  “Wat kan ik haar brengen?” “Als ik morgen in jouw buurt ben zal ik hoesten en dan iets laten vallen”.  “Goed, tot morgen”.

Die avond heb ik op dun papier een briefje aan Moeder geschreven.  Van m’n Pilot-pen, waarin mijn naam gegraveerd was, heb ik het rubber inktreservoir verwijderd en in de vrijgekomen ruimte het stevig opgerolde briefje gedaan.  De volgende ochtend kreeg ik, langs de satekraam lopende, een hoestbui en liet de pen vallen.  Toen ik wat later weer naar de man keek, ging zijn duim omhoog ! Alles was Oke!

afdruk

DSC_0975

Ik was als oppasser toegewezen aan de Kolonels W. van Kuilenburg en M.van Dijk.  De 28e december 1942 vertrok de “Special Party” van Tandjoeng Priok met de Pacific Maru, bestemming Singapore.

PacificMaru

Pacific Maru

Onderweg hebben wij ‘snachts nog een tijdje stil gelegen.  Waarschijnlijk was een “vijandelijke” onderzeeboot gesignaleerd!  Wij verbleven 10 dagen in het noordelijk van Singapore gelegen kamp “Changi Jail”. Een voorproefje van wat ons nog te wachten stond?

De route die werd gevaren met de Hellships met tussenpozen op verschillende locaties

De route die werd gevaren met de Hellships met tussenpozen op verschillende locaties

Van het eten dat we daar kregen zou zelfs een hond de hongersdood sterven!  Om de honger te “stillen” gingen wij op mussen-jacht!  Met 4 man, allen “gewapend” met een reep van een auto-binnenband, trokken wij er op uit! De “buit”, 3 mussen, werd heel zorgvuldig geplukt en gekookt.  Daarna werd e.e.a. heel eerlijk tussen ons vieren verdeeld, ook het kookwater waarvan elk op z’n beurt een lepel kreeg want de “bouillon” dreef immers boven!  En gesmuld dat we hebben!

De Engelsen maakten het erger!  Onze Japanse kampcommandant werd op zijn rondes door het kamp altijd vergezeld door zijn hondje, een tyakel of wel dashond.  Na dat hondje gedurende een paar dagen met wat brood naar zich toe gelokt te hebben, gaven ze hem met de hak van een schoen, een tik op zijn kop.  Wat ze daarna met dat lieve beest gedaan hebben, weet ik niet, behalve dan dat hij snel geconsumeerd werd! Alle pogingen van de Japanse militairen om dat hondje terug te vinden leverden  tenminste niets op.

Sommigen van ons waren er toen nog niet zo erg slecht aan toe en in staat om een voetbalwedstrijd te spelen tegen de Engelsen. Ook Z.E. de G.G. bevond zich tussen de toeschouwers.

Na ons verblijf aldaar gingen we aan boord van het passagiersschip “Aki Maru”. De maaltijden van de krijgsgevangenen, ook die van ons aan boord van de schepen, boden niet veel variatie.

Drie maal daags, ieder een afgemeten portie rijst (soms gemengd met gort) en wat sajor, d.w.z. een waterig soepje met wat groenten, lobak (Indische ramenas), waloh (pompkin) of iets dergelijks.

Naar de “benjo” lopend (toiletten, als je die uitbouwsels zo mag noemen!) kwamen we langs een stapel zakken met uien.  Wijl ik uit een zak wat uien peuterde liep Brigadier Blackburn langs me. “Be careful!” “You like them?” “Yes I do”  Ik nam er nog twee en zei “see you later”.  Terug in het ruim heb ik hem die twee uien gebracht. Hij wist niet hoe gauw hij die verstoppen moest!

Sergeant Tinus Exmann (een bloedzuivere Amsterdammer!) had zichzelf belast met de verdeling van het “bijgerecht”.  Geen eenvoudige opgave, vooral niet als je een bucket met gebakken visjes (iets dat we slechts aan boord van dit schip kregen) verdelen moest!

Hoeveel visjes zouden er in die bucket zijn?  En die moesten verdeeld worden onder 74 man! De mannen in het kombuis zorgden altijd wel dat een mooi en wat groter visje bovenop kwam te liggen (alleen voor het aanzien?).  En dat grotere visje kon Speekenbrink als eerste bij Z.E. de G.G. brengen.  Als de bodem van de  vis-bucket zichtbaar werd, was het maar al te vaak duidelijk dat er niet voor een ieder een visje meer was!

Zo moest Tinus eens de twee laatste visjes onder 5 man verdelen! Allen hadden hun koude visje niet de tijd gegund om koud te worden, behalve Z.E.de G.G.!  die Tinus gebaarde om bij hem te komen.  Hij overhandigde zijn visje aan Tinus met de woorden” Verdeel ook deze vis tussen die heren”. Na veel ge-“ja” en ge-“nee” werd overeengekomen dat Tinus de drie visjes eerlijk tussen 7 man (hijzelf inbegrepen) zou verdelen.

Na de maaltijd merkte Z.E. op “dat stukje vis heeft mij buitengewoon goed gesmaakt”.

Z.E. Jhr.Mr. Tjarda van Starkenborgh Stachouwer heeft bij herhaling blijk gegeven uit edel hout gesneden te zijn!  Hij was niet alleen moedig, ook hoog-beschaafd  hetgeen onderstreept werd door zijn eenvoud en onbaatzuchtigheid!

 

Op deze reis was onze legering al even miserabel als aan boord van de Pacific Maru! Wij, de oppassers, lagen vrijwel op de bodem van het schip!  Gelukkig hadden ze de dek-luiken weggelaten waardoor we wat meer licht en verse (?) lucht kregen. Naarmate wij dichter bij onze bestemming kwamen werden de “thuiskerende” Japanse militairen en ook de (vrouwelijke) leden van een artiesten gezelschap, vriendelijker. Er werd, een paar etages boven ons gezongen, o.a. (met de Hollandse tekst!) het ons bekende “de Kleinste”!  Als blijk van waardering zong onze Sgt. Ziekenverpleger, van Naerssen, zichzelf met zijn gitaar begeleidend, o.a. een bekend Japans lied. Het regende daarna pakjes sigaretten!

Het voorbeeld van anderen volgend, naaide ik mijn laatste Nederlands-Indische zilveren gulden, in de zoom van mijn “nette” broek, d.w.z de broek die ik nog maar heel weinig gedragen had. In de achterzak van die broek bewaarde ik ook de zilveren sigarettenkoker die ik indertijd van Jaap gekregen had.

De volgende ochtend werden wij in diepe prauwen naar Moji (in Japan) vervoerd en kwamen, na een “wandeling door de stad” bij een groot, enkele verdiepingen hoog, op een heuvel gebouwd, betonnen gebouw! Nadat we al de koffers en kisten al die traptreden omhoog hadden gesjouwd, konden we even rusten voor de “lunch”. Zowaar een stevige maaltijd, bonen met groenten en ja, geloof het maar, er zat zelfs vlees in! Toen de lege buckets werden opgehaald en de man ons vroeg of we genoeg gegeten hadden, gebaarden we dat het eten goed was en dat we graag nog wat wilden! Laat hij met nog een volle bucket terug komen!

De volgende ochtend moesten we allen in een groot open bad waarin ook Japanners een bad namen. Het water was gloeiend heet, je kon er amper je tenen in houden!

Toch trotseerden wij dat en genoten  (behalve Z.E. de G.G.) na lange tijd, van die “verfrissing”! Minder prettig vonden wij het toen wij daarna het platte dak opgestuurd werden waar we in gemetselde wasbakken en in de volle gure wind staand, onze kleren moesten wassen! Ik ben desondanks meteen een wasserij begonnen, S.S.Z.Z. (Snel Schoon Zonder Zeep). Ik kreeg genoeg te doen en als iemand zich beklaagde omdat zijn was niet schoon was, was mijn repliek  “Zonder Zeep kan het echt niet schoner!” In onze schamele kleding hadden wij het daar in die Winter, wel koud. Ook de niet in werking zijnde Centrale Verwarming veranderde daar niets aan! Van Kolonel Kuilenburg kreeg ik een schitterende lange broek! Ik vond hem te mooi om aan te trekken en heb hem vlug in mijn ransel geborgen – dan had ik tenminste bij onze bevrijding een mooie broek om aan te trekken-!

Zes dagen later, (veel te vlug!), op 25 januari 1943 gingen wij aan boord van de Zankou Maru en debarkeerden op de 31e in Takao, aan de zuid-westkust van Formosa (nu Taiwan) gelegen. Wij gingen met een trein naar het noorden (Taihoku) en van daar met bussen naar het aan de oostkust liggende Karenko. Die bustocht was onvergetelijk!

Formosa met de kampen die werden gebruikt voor de Special Party

Formosa met de kampen die werden gebruikt voor de Special Part

Grote delen van de smalle, eenbaans-weg waren uitgegraven uit de steile, recht uit zee oprijzende rotsen, gemiddeld zo’n 80 meter boven zee! Hier en daar werd gestopt en moest de chauffeur telefonisch vragen of hij door kon rijden. Zo niet dan werd er gewacht tot de tegenligger kwam en beide bussen elkaar konden passeren.  Aan de zee-zijde werd met open ramen gereden. Keek je door zo’n open raam naar beneden dan zag je meestal de weg niet! Het waren “smal-spoor”-bussen die door hun chauffeurs voortreffelijk bestuurd werden! Diepe ravijnen werden overbrugd door hangbruggen. Steeds mochten slechts drie bussen gelijktijdig zo’n brug op rijden. Ik had het geluk(?) op een gegeven moment in de voorste bus te zitten en kon toen zien hoe die 3 reeds op de brug rijdende bussen, mede door de wind, heen en weer slingerden. Eenmaal zelf op de brug zijnde, voelde je daar niets van!

Bij het binnenkomen in het Karenko-kamp werd onze bagage geinspecteerd. Koffers, valiezen, randsels e.d., alle  inhoud moest open gelegd worden en boeken, schrijfbehoeften, voedingswaren en medicijnen werden geconfisqueerd! Ik stond achter Lt.Gen. ter Poorten en zag kans om, nadat mijn “bezittingen” (heus niet veel!) geinspecteerd waren, zijn zware koffer met medicijnen naar mij toe te trekken, nog voor hij voor “inspectie” aan de beurt was.  Toen dit gebeuren achter de rug was heb ik die koffer naar binnen gebracht en hij was blij zijn medicijnen weer te hebben!

Hieronder twee tekeningen uit het Karenko-kamp op Formosa 

 

 

 

download (1)

Karenko Geiten hoeden

download (17)

Kaenko Wasplaats- Benjo ( Toilet)

Veel heeft het niet uitgemaakt want bij een enige dagen later gehouden inspectie, zijn die medicijnen toch nog gevonden en ingepikt!

N.B. Hij voelde zich zonder zijn medicijnen dood-ongelukkig maar zonder zijn medicijnen knapte hij zienderogen op !

Vervolgens moesten wij allemaal een stuk ondertekenen waarin we o.a. verklaarden niet te zullen ontvluchten en gehoorzaam te zullen zijn aan de kamp-regels!

Z.E. de G.G. weigerde het stuk te ondertekenen en werd daarom weggevoerd. Twee dagen later werd hij , na het stuk “onder protest en onder dwang” getekend te hebben, weer vrij gelaten! Het was hem duidelijk aan te zien dat zij hem die 2 dagen goed onderhanden hadden genomen!

In Karenko deelde Z.E. zijn kamer met Lt.Gen. ter Poorten. Zij hadden Sld. Speekenbrink als oppasser. Sporadisch werd wat suiker uitgedeeld, net genoeg om een paar keer van een lekkere kop thee te genieten!

Wij oppassers moesten corvee doen in de “groentetuin” en ook wel eens in het magazijn vanwaar zowel de Japanse als onze keuken bevoorraad werden. Als we een Formosaan als bewaker hadden moest je op je hoede zijn! Met een Japanse bewaker moest je jouw kansen benutten! We hadden foto’s van vrouwen en meisjes verzameld. Liet je die aan een Japanse bewaker zien, dan werd die er doorgaans zodanig door in beslag genomen dat hij zijn eigenlijke taak verzuimde en je betrekkelijk veilig met het een en ander naar onze keuken (rauwe pindaas, zout, gedroogde groenten en vruchten, e.d.) of zelfs onze barak, kon lopen.

Eens, – we hadden kans gezien om een aardige hoeveelheid bruine suiker ‘buit te maken”! – gaven we Speekenbrink een havermout-blik met die suiker voor Z.E. en de Lt.Gen.  Speekenbrink spoedde zich naar de keuken voor wat kokend water en niet lang daarna presenteerde hij beide heren een heerlijke warme kop thee! Toen Z.E. proefde dat er suiker in de thee zat, vroeg hij of de Jap weer suiker had uitgedeeld, waarop Speekenbrink antwoordde “ik denk van wel”. Maar, Z.E. zette zijn kopje op  het tafeltje, liep het balcon op en vroeg een ieder die hij tegen kwam of ook hij z’n suiker ontvangen had. Toen hij, na de nodige ontkenningen, er van overtuigd was dat er geen suikerverdeling had plaats gehad, liep hij terug naar zijn kamer, overhandigde zijn kopje thee aan Speekenbrink en zei “geef dit  aan de heren van wie je die suiker gekregen hebt. Zij hebben alle risico’s gelopen en laat hun er dan ook van genieten. Als het zover is dat ik daar behoefte aan heb, doe ik met hun mee! Volgens Speekenbrink had de Lt.Gen. zijn thee snel genuttigd en zag hij met lede ogen de suiker zijn neus voorbij gaan!

In  het kamertje dat Z.E. de G.G. en Lt.Gen. ter Poorten samen deelden hing aan de wand een klein portret van H.M. Koningin Wilhelmina, gedrapeerd met een Nederlandse vlag die zodanig gevouwen was dat alleen de witte strook te zien was. Vele Japanse “bezoekers” was dat niet eens opgevallen totdat een wat nieuwsgieriger officier vroeg wie dat was. “dat is de Koningin van Nederland, Queen Wilhelmina” antwoordde de G.G. “Wil jij dat portret verwijderen!” “Nee. Ik word als burger in een kamp voor militaire P.O.W.’s gehouden. Daarom zijn regels die voor anderen hier gelden, niet op mij van toepassing. Voor u zijn hier ook andere officieren met hoge rangen geweest en die hebben geen bezwaren gemaakt”. Hij beval Z.E. om in de (militaire) houding te gaan staan hetgeen Z.E. ook weigerde. “Een Nederlands burger straat niet in de houding, ik hoef dat zelfs niet voor mijn Koningin te doen!” “Maar hier moet jij dat wel doen!” De man liep op Z.E. af , schopte tegen een voet opdat diens voeten tegen elkaar zouden komen maar … Z.E. ging onmiddellijk weer met de voeten van elkaar staan!

Dit herhaalde zich enige malen waarna die officier het kennelijk op gaf en met een hartgrondige vloek(?) dat kamertje verliet.

Z.E. heeft er nog wel een tijd pijnlijke voeten aan overgehouden!

 

Op een dag dat ik in de tuin liep, wenkte Brig. Blackburn mij bij hem te komen en  zei “I know you are Dutch but I noticed you are different. Where do you come from?” Nadat ik hem verteld had dat ik uit Nederlandse ouders in Indie geboren en daar ook opgegroeid was, bleek hij heel erg geinteresseerd te zijn in  “hoe wij als minderheid leefden tussen een overwegend Islamitische bevolking”. Gedurende zijn verblijf op Java was het hem opgevallen dat er een uitstekende verhouding tussen beiden was ondanks de grote meerderheid van “those natives”.

Wij hebben over dit onderwerp nog vele gesprekken gevoerd maar steeds bleef hij aandringen “when the war is over, you better come to Australia! If necessary I’ll look after you!”

 

Ik vroeg Z.E. de G.G. eens, enigszins schoorvoetend, of hij genegen was om mijn sigarettenkoker van zijn handtekening te voorzien. “Als ik u daarmee een genoegen doe wil ik dat graag doen, ehter op voorwaarde dat u daarna niet meer gaat roken dan u nu doet.”

Na zijn handtekening geschreven te hebben vroeg hij “wat gaat u nu doen om te voorkomen dat mijn handtekening weer wordt uitgeveegd?” “Ik denk dat ik voorlopig niet roken zal”.  Lachend overhandigde hij mij de koker.

Een Engelse orderly stond in het kamp bekend om zijn graveerkunst. Toen ik hem vroeg om die handtekening in mij sigarettenkoker te graveren, weigerde hij aanvankelijk omdat hij vreesde dat het materiaal waarvan zijn graveerstift gemaakt was, niet hard genoeg was om er mee in die zilverlegering te graveren. Na enig aandringen beloofde hij het te proberen.  De volgende dag gaf hij mij de koker terug … met de keurig ingegraveerde handtekening! Het kostte mij wel wat meer.

Toen ik daarna Z.E. mijn sigarettenkoker met gravure liet zien,  zei hij “u bent wel de enige die iets dergelijks kan tonen”.

In maart ’43 werden Rode Kruis-voedselpakketten aangevoerd en in het magazijn opgeslagen. We moesten nog  3 weken wachten op een uitdeling er van! Toen we dan eindelijk ieder een pakket gekregen hadden begon een levendige ruilhandel! Het merendeel van de Amerikanen zijn ware zoetekauwen want zij ruilden hun vleeswaren graag in voor zoetigheid!

Wij begrepen wel dat een volgende  vestrekking lang op zich kon laten wachten en Schubert en ik deelden de inhoud van ieder pakje en blikje om er maar zo lang mogelijk over te kunnen doen!

Zoals zo vaak tevoren, deed ook nu weer een gerucht de ronde. “ De Amerikanen zouden een aanval op Formosa voorbereiden!”  Wishful thinking?  Er werd gefluisterd over ophande zijnde overplaatsingen.

Hoe het ook zij, een paar dagen nadat ik op 2 mei mijn Vader’s geboorte dag had herdacht, werden na een ochtend-Tengko 30 man uitgepikt en die kregen opdracht zich voor vertrek gereed te maken! Helaas hoorde ik daar ook bij! Met Baier, van Delden, Bijkerk, Schubert en 25 Amerikanen ging ik op transport naar het Heito-kamp! Kolonel Kuilenburg kwam al vroeg die mooie broek terug vragen.

Dit kamp, bestaande uit 2 x 3 in elkaars verlengde gebouwde lange, van bamboe opgetrokken barakken, was gelegen nabij een zandvlakte, eigenlijk een ingedroogde rivierbedding. Apart stonden 3 kleinere bouwsels, de keuken,  een magazijn en de “ziekenboeg”. Tegenover dit “slaven-gedeelte” was het bewakers-gedeelte. De dakbedekking was van stro, de vloeren van leem.

Het scheen dat een ieder te lui was of dat gereedschap ontbrak om de gaten in de vloer te dichten! Het was er in ieder geval ongemakkelijk  lopen, vooral als je in het donker haast had om de “benjo” te bereiken!

Aan weerszijden van een breede gang waarin tafels met aangebouwde banken stonden, waren van planken gemaakte, aaneengesloten slaapplaatsen.

 

Niet lang na ons, arriveerde ook een aantal, door de Jap opgepikte drenkelingen van een door de Amerikanen tot zinken gebracht Japans schip.

Onder de geredde krijgsgevangenen die zich aan boord van dat schip bevonden, waren twee Nederlanders, Dinsbach en Koos Abels die onmiddellijk een plaatsje bij ons groepje van 5 vonden.

Voor de “lunch”, stonden wij voor de keuken in de rij en  Koos stond voor mij.  Toen hij aan de beurt was, zag de Amerikaan, belast met het uitdelen van de “soep”,  Koos’ zwarte handen.  Ik vermoed dat Koos een Zuid-Afrikaanse moeder had.  Die Amerikaan keek hem aan en zei “Get to the back you black bastard!”  Koos, een timide jongen, wilde al weg gaan toen ik zei “wacht even!” en die Amerikaan de scheplepel uit handen nemende, zei ik “ if you don’t like to serve him, I will do it”.  Ik gaf Koos zijn soep “ this is one”, nam toen nog een schep en zei “this is two”, gelijkertijd die schep in de nek van die Amerikaan gietend!

De rel was kort en hevig en ik hield er vijanden maar ook vrienden aan over!  De Australiers die toch al niet zo op de Amerikanen gesteld waren hadden tijdens de rel mijn partij gekozen, waarschijnlijk ook omdat de man die voor Koos stond, een Australier was die alles van nabij had mee gemaakt!

Nadien kwam Koos, die al gauw door de Jap belast werd met karweitjes in het Jappen-kwartier, vaak bij me met iets eetbaars dat hij op de kop had weten te tikken. Zo kwam hij mij zelfs ‘snachts af en toe wekken voor een gekookt eitje!  Zij hadden hem belast met het rapen van de eieren uit het kippenhok.  Hij moest dan een aantal ervan boven op de stomende rijst koken, daarvan een aantal gekookte eieren bij de wacht brengen en de rest was voor de andere manschappen.  Niemand die op de aantallen lette.  En zo kon hij, op weg naar de wacht zijnde, er af en toe eentje “op zij leggen”.

Als ik een eitje verorberd had nam hij zorgvuldig alle doppen mee want als de Jap in onze barak een eierdop zou vinden zouden ze hem daar onmiddellijk van verdenken en beschuldigen!

Met de kampcommandant -Tomaki- viel nog wel te praten, maar onder onze “opzichters” bevond zich een Formosaan, Harold Loyd zoals hij vanwege zijn strohoed genoemd werd.  Hij was een ware beul, kon heel vriendelijk tegen je zijn om je een tel later, zonder enige reden, de ziekenboeg in te slaan!  Helaas heb ik dat tot drie maal toe, moeten ervaren!

Op het werk was het een sport om de opzichters te bedonderen!  Wij werkten in groepen van 5, kregen een taak opgelegd en was je klaar dan mocht je verder luieren tot het tijd was om naar het kamp terug te keren.  Voor diegenen die het eerste klaar waren wachtte bovendien bij het avondeten een (extra) gekookte “sweet potato”!

De sterkste Amerikanen groepten bijeen, renden op het werk gekomen vooruit om de beste plaatsen te kiezen en kwamen altijd als eersten klaar.

Dit wekte de weerzin van hun mede-kampgenoten maar de Jap waardeerde het!  Zij bewezen immers dat wij tot meer in staat waren!  Moesten wij in het begin ‘smorgens 2 en ‘smiddags 1 grote goederen wagon met stenen vullen, dit aantal werd dank zij die Amerikanen, zoetjes aan opgeschroefd tot respectievelijk 5 en 3!  Een onmenselijk taak voor velen!  Als de stenen schaarser werden, werden de rails verplaatst. Abels, Baier en Dinsbach vulden de punkies (van bamboe gevlochten draagmandjes) met stenen – die zij tussen het zand moesten uitgraven – en Schubert en ik droegen die dan over een plank de wagon in.  Ieder zocht de stenen zo dicht mogelijk bij de wagon waardoor het daar steeds lager werd en de plank dus steeds steiler!

Omdat wij, als het niet te hard regende, door moesten werken, hebben Schubert en ik op een dan natte en zanderige plank, menige smak gemaakt!

Er kwam verandering in ons werk.  Geen stenen sjouwen meer naar een wagon, maar er lange, hoge heuvels van maken!  Het vullen van wagons werd in vervolg door andere slaven gedaan.  Er stonden bekistingen met een inhoud van ruim ½  m3.  Iedere groep van 5 moest zo’n kist met stenen vullen, de bekisting omhoog tillen en verplaatsen nadat de “hanchou” (opzichter) op een registratiekaartje een streepje had gezet.

Er stond je wat te wachten als je op het eind van de dag niet voldoende streepjes vergaard had!  Haha, ik was nog in het bezit van een potlood-stomje en zo’n streepje kon ik ook wel zetten!  Niet alleen wij vergaarden nadien iedere dag voldoende streepjes, ook zwakke ploegen naast ons deed ik er een genoegen mee.

Naarmate zo’n heuvel hoger werd, werd ook het beklimmen er van over losse stenen, steeds moeilijker.  We vroegen de Jap daarom om bamboes waartussen we twee punkies tegenover elkaar konden binden, “dan konden we veel meer stenen in een loop verplaatsen”!

“Goed idee” vonden ze dat! En we leverden steeds meer kisten maar die heuvel werd slechts langzaam hoger!  Ons foefje was om die hoog opgeladen stretcher in z’n geheel boven op die bekisting te zetten, de hanchou – die nooit van z’n plaats kwam – te roepen en te gebaren dat de kist vol was en wijl een van ons het volgende streepje haalde, snel de stretcher om te kiepen!   Op een dag kwam een Ausie naar me toe en zei “be careful, Ginger is working near you!”

Ginger was een roodharige Engelse jongen die er voor bekend stond dat hij allerlei gebeurtenissen uit het kamp, doorgaf aan de Jap!  Die avond liep ik hem “per ongeluk” tegen het lijf.  “Ginger, tell me, what have you done?” “What do you mean?” “Well, I am told there are 10 men who will make certain that you will never get home alive!”  “Who are those men?”  “I don’t know, that’s all I was told”, waarna ik weer verder ben gelopen.

Het was zeker ook de Jap opgevallen dat die heuvel maar zo langzaam hoger werd! De hanchous maakten nog wel dezelfde figuurtjes maar nu in kleur, rood en blauw! Soms 2 in rood, 1 blauw,2 rood, dan 1 rood, 3 blauw, 1 rood. We hebben die eerste dag hard moeten werken!  Maar, geen nood!

In Karenko had ik in het magazijn een stompje van een rood/blauw potlood op de grond zien liggen en .. ja kunt nooit weten!.. in m’n zak gestopt.  Alles had voor een krijgsgevangene immers waarde!  Bij thuiskomst gauw in m’n ransel gezocht en ja hoor!  Ik had het nog!  Toch moest ik extra voorzichtig zijn!  Waarom was Ginger zo dicht bij ons gaan werken? Was dat in opdracht van de Jap of toeval?

Ik besloot het potloodje niet weer mee naar het kamp te nemen maar op het werk achter te laten.  Na het werk liet ik het onder de bekisting achter, onze kist was de 4e van rechts, dus morgen moest ik zorgen als eerste bij die kist te zijn!  Geluk was met ons want ik heb nog heel lang plezier van dat potloodje gehad.

We werkten samen met drie andere ploegen.  Als een van hun een streepje had gehaald, ging zijn duim omhoog voor een rood en omlaag voor een blauw streepje (of omgekeerd, dat weet ik zo precies niet meer)  Tot een Jap bij onze kist ging zitten en ons de hele dag in de gaten hield!  Het was die dag hard werken maar we hebben ons aantal streepjes gehaald!  En.. ik was m’n potloodje kwijt!  Toen de eerste kist vol was en we die moesten verplaatsen, werd dat potloodje onder de stenen bedolven!  Toch vertrouwde de Jap mij waarschijnlijk niet want ik kreeg een heel andere baan!  Ik werd  “hanchou kusa kari”, leider van de grassnijders- ploeg van 10 man, Schubert, ik en 8 Engelsen.

Wij moesten gras snijden in de niet ver van het kamp gelegen bananentuinen en dat in jute zakken samengeperste gras naar de achter in het Jappen-kwartier gelegen stallen voor 2 koeien en 4 karbouwen brengen.  Hoewel ik in het begin enig argwaan koesterde tegen die Engelsen, zeker vanwege de reputatie van Ginger, bleken zij best te vertrouwen.

Onze vaste Formosaanse bewaker had een vriendinnetje , de dochter van een van de  eigenaren van die bananen-plantages.  Als hij ons naar ons  “werkterrein” gebracht had, gaf hij mij opdracht om daar niet weg te gaan!  Pas als het tijd werd om weer naar “huis” te gaan, zagen we hem weer!  Ik vroeg die Engelsen of zij wat extra te eten wilden hebben. Wie zou dat in die tijd niet willen?!  We zochten een bijna rijpe bananentros, groeven een gat en begroeven die tros.  Drie dagen later zochten we de plaats op waar we die tros begraven hadden en we hebben allen van goed rijpe bananen genoten! Omdat we terug moesten naar een plaats waar we het gras al hadden weggesneden, gingen we daarna dagelijks naar de plaats waar we meenden dat we drie dagen later zouden moeten “werken” en begroeven daar een tros.  Het moeilijkste was die plaats later weer terug te vinden!  Zoveelste rij, zoveelste groep bananenbomen!  Het is gelukkig niet vaak gebeurd dat we een begraven tros niet terug konden vinden!

 

De bewaking van ons kamp werd versterkt met de komst van een Japanse Sergeant Majoor.  Hij was vriendelijk en minder ruw dan wij van de Jappen gewend waren. Al gauw veranderde de houding en het optreden van de andere bawakers!  Hij verraste ons door tijdens een ochtend-appel in perfect Nederlands aan Schubert te vragen waar hij vandaan kwam.

 

Het was duidelijk dat zijn functie hem niet toeliet om langer met Schubert te praten. Maar…, die avond maakte hij een inspectie-ronde en bleef een tijdje bij ons zitten! Hij gaf Schubert een aantal pakjes sigaretten – van een duurder merk – met de opdracht om die onder ons KNIL-ers te verdelen.  Gevraagd waar hij zijn Nederlands geleerd had, vertelde hij dat zijn vader voorheen in Grissee een kapperszaak had en dat, kort nadat hij in Soerabaia zijn MULO-opleiding voltooid had, zijn vader “van hogerhand” (?) opdracht kreeg om naar Japan terug te keren.  Na aankomst werd zijn vader op een scheepswerf tewerk gesteld en werd hijzelf voor militaire dienst opgeroepen.  Zijn schoolopleiding heeft hij verzwegen omdat hij beslist niet als tolk dienst wilde doen!  Gevraagd waar wij het meest een hekel aan hadden zeiden wij “aan de slechte en onvoldoende voeding en het afgeranseld worden!”  “Ook ik heb aan dat laatste een hekel maar dat is inherent aan het Japanse leger!”  Ja, maar van Harold Loyd (hij begreep direct wie wij bedoelden) krijg je vaak zonder enige aanleiding, een aframmeling en als hij jou tegen de grond geslagen heeft mag je ook nog op een paar schoppen in jouw buik en/of jouw rug rekenen!

Helaas, vele goede zaken zijn maar van korte duur!  Ook deze goede Jap bleef niet lang want na een tweede bezoek hebben we hem nog maar een paar keer gezien.  Ik vrees voor hem, dat ze hem niet meer met bewaking van kampen hebben belast.

 

Op een middag werden we opgeschrikt door een daverend geluid !

Enige Amerikaanse P.38 jagers/verkenners waren vermoedelijk van zeer grote hoogte (er had geen luchtalarm geklonken!), met afgezette motoren, recht op het kamp af gedoken en hadden op geringe hoogte, vlak voor het optrekken, de motoren weer aangezet!  De volgende ochtend moesten wij bebladerde bamboetakken en pisangblaren op de daken gooien, ter camouflage!

Onze Engelse kampleider heeft daartegen bij de Jap geprotesteerd, zeggende dat plaatsen waar krijgsgevangenen werden vastgehouden, niet mochten worden gecamoufleerd, eerder duidelijk kenbaar moesten zijn.

’t Hielp niet en .. de gevolgen bleven niet uit! De volgende ochtend, het was 7 februari 1945,  marcheerden wij net het kamp uit toen het luchtalarm ging!

Onze bewaker, die duidelijk zijn afspraak met zijn meisje niet wilde missen, spoorde ons aan om door te lopen!  Tot ons en zijn geluk!  Weldra klonk het zware geronk van hoog overvliegende bommenwerpers.  Achterom naar boven kijkend zagen we zwarte stepen uit de wolken omlaag komen.  Het waren rekken met ieder vijf  25 Kg. Anti-Personal bommen!

Als een regen kwamen die op ons kamp terecht.  Die bommen vielen onder het neerkomen, stuk voor stuk uit hun rek dat door een aantal vinnen meer luchtweerstand ondervond.  Wij konden zien dat de poort, de schildwacht en het wachthuis getroffen werden!  Onze bewaker vond het raadzamer om weer terug te keren.

Wat we toen te zien kregen zou je haast de moed doen verliezen!  Gelukkig ontploften die bommen al bij de minste aanraking zoals met electrische bedrading, het dak e.d.  Er waren echter ook die door het strodak waren gevallen en op een tafel, slaapplaats e.d. explodeerden.  Schubert die zich niet goed voelde en daarom die dag “thuis” was gebleven, was met zijn houten sloffen aan, plat op de grond gaan liggen.  Een vrij lange scherf zat deels in zijn slof en deels in zijn hiel!  Ook de ziekenboeg had de nodige treffers te verwerken gehad!

In totaal vielen onder de krijgsgevangenen 22 doden en  ruim 60 gewonden.  Ook 7 Jappen overleefden het niet!  Gelukkig was maar 1 koe getroffen en moesten we de volgende ochtend weer gras snijden.  Die koe werd meteen geslacht maar van het vlees hebben wij niets gezien!  Zij die door het bombardement gedood waren, werden met een tikartje om het zwaarst getroffen deel van het lichaam, op elkaar in een spoorwegwagon gegooid en afgevoerd.  De gewonden werden zo goed en zo kwaad als het ging, in de Ziekenboeg verpleegd.  De Jap weigerde om medische assistentie te verlenen, zelfs verband-materiaal werd niet verstrekt!

Om toch maar iets te hebben om vooral de vliegen weg te houden, werden ongedesinfecteerde beddelakens in repen gescheurd!  Van de gewonden is later nog (ook in het Taihoku-canp ) een aantal overleden.  Mijn vriend, Bill Nunn, had een scherf in z’n borst die ook in zijn long zat.  Hij mocht zich totaal niet verroeren!

Kennelijk was dat bombardement de mensen in de omgeving niet ontgaan.  Een jonge man die in een bananen-plantage woonde, bracht ons wat suiker, eieren en een klein (al geslacht) varkentje en gebaarde dat dat voor de slachtoffers was !

Na dat eerste contact volgden er meer, oogluikend door onze Formosaanse bewaker toegestaan!  In de regel liep ik na binnenkomst in het kamp, zo gauw mogelijk met onze smokkelwaar naar onze keuken.  ‘sAvonds bezocht ik Bill Nunn en voerde hem een ei, wat thee met suiker e.d.  Het heeft niet mogen baten!  Bill is na een hevige hoestbui toch bezweken.

Onze vriend in de bananen-plantage,  Nok noemden wij hem, vroeg of wij kleren voor hem hadden.  Ik had echt niets om weg te doen, maar zou Collingsworth mij er aan kunnen helpen?  Collingsworth was onze Amerikaanse verpleger, een grote man met een misvormde arm en hand.  Immers waren de nalatenschappen van de slachtoffers van het bombardement naar de  ziekenboeg gegaan!

Hij had inderdaad het een en ander in voorraad en was genegen wat af te staan mits ik een deel van wat ik er voor kreeg, aan de ziekenboeg zou afstaan.  En zo ging ik de volgende ochtend met mijn goenizak  waarin een netjes opgevouwen Engels leger-overhemd zat, over de arm, de poort uit!  Nok was er heel blij mee en zo begon een  regelmatig handeltje.  Toen ik een keer met lunchtijd thuis kwam had ik een zak met ongeveer 14 Kg. zout bij me.  Omdat bij de keuken iets gedaan werd en een paar Jappen daar toezicht op hielden, besloot ik die zak zolang achter mijn ransel, boven mijn slaapplaats te bewaren.  Ik zou hem tegen de avond wel naar de keuken brengen!  Na de lunch gingen wij er weer op uit.

Die middag zagen wij Nok niet, niets ongewoons!  Bij terugkomst in het kamp werd de inhoud van onze goenizakken geinspecteerd.  Vreemd, want dat was niet eerder gedaan!

Ik werd niet lang in het ongewisse gelaten want ik werd hardhandig naar een vertrek gebracht waar ik opgewacht werd door een aantal Japanse militairen.  Dat waren: een officier die achter een bureau zat, een naast hem staande tolk en 3 onderofficieren, waarvan de Sergeant Majoor mij bij de deur had opgewacht.  Hard-handig Greep hij mij bij mijn arm en duwde mij voor het bureau!  De man achter het bureau (Mr.X.) zei wat, hetgeen vertolkt werd als “Mr.X. vraagt of je van de Japanners genoeg te eten krijgt”. Ik antwoordde “I would be a liar if I say yes”.  Mr.X. toverde van achter het bureau mijn zak met zout en zette die voor zich op het bureau.  Volgens de tolk zei hij toen “Jij houdt veel van zout ! Hoe ben je hier aan gekomen?”

Het flitste door m’n gedachten “niet van Nok!  Bekennen zou diens en ook mijn dood betekenen – denk aan Pardoen in Perak! -, wellicht ook van Collingworth en wie weet, misschien ook van ons keuken-personeel en van onze Formosaanse corvee-begeleider!  Waarom hadden wij Nok die middag niet gezien?  Zouden ze hem op het bezit van de krijgsgevangenen-kleren betrapt hebben?  Hoe zou hij het bezit er van verklaardf hebben?

Dood gemodereerd antwoordde ik “dat heb ik nog van Karenko”.  “Je liegt! Toen jullie hier kwamen is jullie luggage checked and that salt would have been taken off you!”   “Well, I don’t know, may be they did not see it or they let me keep it!”  “You are a liar!”  “Why should I ?” Die vent achter dat bureau bleef sputteren en werd zelfs heel erg kwaad omdat ik bleef volhouden dat ik dat zout nog uit Karenko had!

 

Die nacht moest ik in de Eso doorbrengen.  Een hok van zo’n 2 ½ x 2 ½ m. maar zo laag dat ik niet kon zitten! Ik was er niet alleen.  Omdat het er donker was, kon ik de anderen niet goed zien.  Van slapen is die nacht niet veel gekomen, gedachten aan Pardoen bleven mij bezig en wakker houden!  Ik bleef mij afvragen zouden zij die kleren bij Nok gevonden hebben?  Zou ook hij gearresteerd zijn?  Zal hij bekennen? Zal een confrontatie plaats vinden?

 

Ik had er vrede mee dat ik de weg zou volgen die Pardoen zovelen was voorgegaan, met dit verschil dat ik een pikhouweel beslist niet alleen zou gebruiken om er een gat in de aarde mee te graven maar ook om er mee een gat in een Jap te slaan!   Mijn besluit stond vast! Ik had dat zout nog uit Karenko !!

Vroeg in de ochtend werd mijn (verbasterde) naam afgeroepen, mijn “ontbijt” door een luikje naar binnen geschoven en door mijn mede-celgenoten aan mij doorgegeven.  De man naast mij keek er naar, trok een vies gezicht en zei iets tegen mij.  Nadat ik gezegd had “ I do not understand you”, gebaarde hij, op mijn rijst met veel zout wijzend, dat niet te eten!  Die ochtend en ook daarna, werd het bewijs geleverd dat mensen van verschillende nationaliteit en opvoeding, collegiaal kunnen zijn wanneer ze in het zelfde bootje varen!  Als ik het wel heb, deelde ik de cel met 4 Formosanen en 2 Japanners, allen burgers, althans in burger-kleding.  Het was er een heel gedoe als je voor jouw behoefte in die ene hoek bij de “benjo” moest zijn!

Ieder bleef er na, in die buurt tot de komst van een ander hem noopte wat op te schuiven.  Na wat voor mij onverstaanbaars, gezegd te hebben, gebaarde mijn buurman mij, mijn thee te proeven.  Toen ik, als antwoord op zijn vragende blik, mijn neus op trok, gebaarde hij mij om te wachten, pakte mijn kommetje met zout/rijst en de mok met zout/theewater en gaf die door in de richting  van de “benjo”, het gat in de vloer daar in die andere hoek!  Op de weg terug zag ik dat alle 6 celgenoten iets van hun rijst en thee in respectievelijk mijn kommetje en mok deden en dat, ondanks dat ook zij maar weinig te eten kregen!  Toen ik bij het aannemen er van zei “Arigato gosaimas” gingen hun kommetjes omhoog!  Betekende dat “eet smakelijk” of “niets te danken!”?

Die dag werd mijn verhoor voortgezet.  Het duurde maar kort.  Nadat Mr.X. zijn tirade had beeindigd, waarbij hij met een gestrekte vinger langs zijn keel streek(!), hetgeen vertolkt werd  als “If you do not tell the truth, you will be sentenced to death!” (ik dacht zou het enig verschil uitmaken?!) werd ik weer naar mijn cel gebracht.  Wilde Mr.X. mij de tijd geven om over die bedreiging na te denken?  Door mijn celgenoten werd ik verwelkomd.  Ik had het gevoel dat mijn terugkeer hun verwonderde!  Ik miste ook 2 van hun maar in de loop van de dag kwam daar een ander voor in de plaats!  Enige dagen gebeurde er niets, behalve dan dat ik 3 maal daags zout met rijst en zoute thee kreeg, hetgeen (haast vanzelf sprekend) ook steeds weer in de “benjo” verdween en omgeruild werd voor rijst en thee!

De volgende keer dat ik weer verhoord werd, kreeg ik te horen dat dit mijn laatste kans was want Mr.X. zou die dag “pass his judgement!”  Toen Mr.X. weer dat gebaar met zijn vinger langs z’n keel gemaakt had, gaf ik als antwoord “you force me to lie so I must admit, he gave me the salt! en wees daarbij naar de Sergeant Majoor.  Deze scheen in de duivel te veranderen!  “Nanikah?”  Hij gaf mij opdracht om 100 keer voorligsteun/opdrukken te doen!  Al na zo’n 20 keer had ik geen fut meer en toen ik op het punt stond om mij, met een laatste krachtsinspanning, weer omhoog te drukken en dus vrijwel geen lucht meer in mijn longen had, sprong dat zware beest met zijn beide laarzen aan, op mijn rug!

Mijn longen sloegen dicht, ik kon geen adem halen en dreigde te stikken.Wijl een van de andere onderofficieren mij aan een arm omhoog trok en mij een harde klap in m’n gezicht gaf, stond dat beest, met de armen over de borst gekruist, glunderend naar mij te kijken!  De held!!

Geschrokken door die harde klap in m’n gezicht, kon ik weer adem halen!  Nadat ik weer op adem was gekomen, wat gepaard ging met een hevige pijn in mijn rug, kwam weer de vraag “wil je nu bekennen?” en volgde weer mijn antwoord “yes, he gave me the salt!” waarbij ik weer naar dat beest wees.

Met een hartgrondig “Bakaero!” wees Mr.X. naar de deur en werd ik naar mijn cel terug gevoerd, met veel gepor in mijn rug!  Laat in de middag werd ik na 9 dagen “Eso”, weer naar het kamp terug gebracht.

 

Dat gebeuren loopt als een rode draad door mijn verdere leven!  Doorlopend, soms in mindere mate, bij tijd en wijle in ergere mate, heb ik het gevoel alsof iemand mij met iets in mijn rug drukt.  Altijd op dezelfde plaats.  Ik kan sindsdien mijn rug ook niet, zoals voorheen, krommen.

 

Kort daarop, dat zal in begin maart 1945 geweest zijn, werden alle kampbewoners op transport gezet. Ik ging met een groep naar Taihoku, waar nog 6 gewonden van het bombardement bezweken zijn.  Reins Bijkerk  en Koos Abels gingen naar een andere bestemming.  Deze verhuizing hield mogelijk verband met de toenemende bombardementen van de haven van Heito.

Het werd een verblijf  van ongeveer drie maanden, gedurende welke tijd vooral de havenplaats Keelung het zwaar te verduren kreeg van de bombardementen (Taihoku in mindere mate).

Ik “mocht” met een groep van ongeveer 100 man, een “wandeltocht” van zo’n 12 Km. maken.  Eerst over een effen weg, langs Formosaanse kampongs en tenslotte over een glibberig voetpad een heuvel op!

Halverwege werden we ondergebracht in een oude school van waaruit wij de volgende ochtend verder die heuvel op moesten lopen.  Zo kort na mijn Eso-dieet en -ervaringen, de nog slechtere voeding in Taihoku en ook met mijn door Beri-beri gezollen voeten en enkels, was deze tocht voor mij een hele opgave!

 

Ik heb altijd gedacht dat de hel niet hier op aard is maar, ik heb me vergist! De hel was daar op die heuvel en daar waren ook meerdere duivels!  Allen in Japanse Leger-uniformen!   Des duivels voorman gunde ons niet de tijd om op adem te komen maar staande moesten wij aanhoren wat hij ons via zijn tolk liet weten!

“Wij waren thans helemaal vrij mits wij op die heuvel bleven!  Hij die zich buiten die heuvel zou begeven zou streng gestraft worden!  Een deel van ons zou voor onze behuizing moeten zorgen.  Bouwmateriaal (dennebomen en glaggah,  een hoog groeiend soort riet ) was in ruime mate voorhanden!  De overigen zouden voor onze voeding moeten zorgen en o.a. knolgewassen, mais en groenten moeten verbouwen.  Wij zouden nog gedurende 3 maanden ons eten verstrekt krijgen, daarna moesten wij   “selfsupporting” zijn!.

Als het ‘snachts geregend had was het werken haast ondoenlijk maar die duivels sloegen er op los als je niet hard genoeg naar hun zin werkte! De nachten konden  goed koud zijn! Als het overdag regende moest je de rest van de dag  in natte kleren lopen voor zover je nog iets had om aan te trekken!

Het met 4 zwaar ondervoedde mannen van ongelijke lengte, versjouwen van zo’n 4 meter lange dennestammen, over een heel oneffen terrein, was een onmenselijk karwei!  En toch wilden die duivels steeds weer dat alles sneller ging!

Toen op 1 juli het eerste bouwsel  klaar was, konden wij daar in trekken en hoefden niet meer dagelijks heen en weer naar de school te lopen.

De volgende dag kregen wij versterking van 50 man uit Taihoku.  Inmiddels steeg het aantal zieken gestadig en dat zij op ½ rantsoen (van amper niets!) gezet werden was niet hoopgevend voor hun herstel!  Ik kreeg steeds meer last van mijn rug, – blijvend aandenken aan mijn “Eso”-tijd-, en mijn door Beri-beri aangetaste voeten bleven zwellen.  Toch bleef ik doorwerken hoewel het mij duidelijk was dat ook het “volle rantsoen”(!) mij niet lang meer op de been zou houden.

Ja, uiteindelijk ben ik ook inelkaar geklapt!  Ik was haast niet meer in staat om op m’n benen te staan!  En ook ik werd op ½ rantsoen gesteld!  Schubert zorgde zo goed als mogelijk was voor me.

Mij gewonnen geven?  NOOIT !  Ik had voorbeelden te over gezien van jongens die de moed lieten zakken en het daarna niet lang meer maakten!  10 Makkers hadden we al naar hun laatste rustplaats gebracht!  Ik had mij in mijn Eso-dagen niet gewonnen gegeven en ook nu niet!  Immers, dit gedrag van de Jap wees er op dat zij beseften dat  HUN einde nabij was en niet  MIJN einde!

 

Een karwei waar ik gedurende mijn krijgsgevangenschap te vaak mee belast werd en waar ik ook steeds meer tegen op ging zien, ondanks dat ik wist dat het gedaan moest worden, was het begraven van overledenen!

Het graven van de kuil was zwaar werk, het in die kuil leggen van het stoffelijk overschot was een onaangename taak maar het daarna aarde gooien op een sumier gekleed en veelal niet helemaal door een ligmatje bedekt lichaam, vond ik verschrikkelijk!

De enkele keer dat een geestelijke de begrafenis leidde, was het nog wel te doen.  Zo niet dan ging doorgaans ons “Sorry mate” aan het letterlijk begraven vooraf.  Tot op heden ga ik met gemengde gevoelens naar een begrafenis hoewel er een hemelsbreed verschil bestaat met toen.  Ik voel me opgelucht als ik hoor dat een overleden kennis niet begraven maar gecremeerd zal worden!

Zoals ik later vernam van Michael Hurst, Directeur van Taiwan P.O.W. Camp Memorial Society, gevestigd in Taipei 234 – Taiwan, R.O.C.:

“In fact, as it is now known, all POW from OKA-Camp were to be killed up there if/when the Allies landed on Taiwan – as per the order to “kill all the Prisoners and leave no traces”.

 

Het is duidelijk dat ik (en zovele anderen), het leven te danken heb aan de Atoom-bommen die ook zovele anderen het leven kostten!  Maar, laten we niet vergeten dat Japan de oorlog begonnen is!

Hoeveel doden en voor de rest van hun leven verminkten, heeft Japan daarmee op zijn geweten?  Heeft Japan ooit enig teken van wroeging getoond of zich verontschuldigd voor de schandelijke en mensonteerende wijze waarop zij medemensen behandeld heeft?

 

 


Hoofdstuk V.  Bevrijding, Manilla – Hospitaal en 5th Replacement-Camp

 

 

Wat een gevoel van opluchting en bevrijding overviel ons toen een Amerikaanse Arts, met een paar verpleegsters en militaire escorte, de dag nadat we wat beter eten hadden gekregen, ons kamp bezochten!  Als bij toverslag veranderden die duivels in makke lammetjes!  Gedwee volgden zij ieder bevel van die Amerikanen op en zo droegen zij op 21 augustus 1945, allen die niet in staat waren naar beneden te lopen, op brancards naar de weg vanwaar wij in trucks naar het Taihoku-Camp werden gebracht.  Hier zijn nog 7 man gestorven als gevolg van de ontberingen in het OKA-Camp!  Op de 28ste augustus 1945 kwamen B-29 bommenwerpers laag overvliegen. Zij dropten voedselpakketten.  Helaas, vele mooi gekleurde parachutes bleven aan het vliegtuig haken waardoor de in dubbele drums verpakte etenswaren, als bommen naar beneden kwamen!

Zo’n dubbele drum, gevuld met blikken tomatenpuree, trof in z’n volle lengte onze Baier, die op een veldbed lag om dit gebeuren te kunnen aanschouwen.

Twee dagen later vond weer een voedsel-dropping plaats.  Ditmaal ging alles goed en kwamen de drums, hangend aan prachtige parachutes, keurig op de juiste plaats neer. Een paar Amerikanen scheurden die parachutes in repen en verdeelden die onder ons. Hoewel ik blij was met de mij gegeven strook witte stof, het leek wel zijde!, vond ik het toch jammer dat die kostbare parachutes zo maar in stukken gescheurd werden!

 

Op de 6e septembetr 1945 begon onze reis naar de vrijheid!  Vanuit het Taihoku kamp gingen we met trucks naar de haven van Keelung.  Doordat ik op een brancard lag heb ik niet veel kunnen zien van de daar, door de Amerikaanse bombardementen veroorzaakte, verwoestingen.  Het moet wel heel erg geweest zijn!

 

Hoofdstuk V         Bevrijding, Manilla-Hospitaal en 5th Replacement Camp.

 

 

Het ons aan boord brengen van een U.S. Destroyer gaf niet veel moeite maar het, van die op de golven deinende Destroyer, over zetten op een van de op de rede liggende U.S.Aircraft Cariers, was niet zo’n eenvoudig karwei!  Eindelijk werd ik omhoog gehesen door een kraan van een kleine tractor, aan boord van de Block Island!  Toen ik aan dek kwam – via een grote opening in de wand van dat schip –  trok een van de schepelingen mijn ransel van onder mijn hoofd weg, vroeg “any souvenirs in here?” en zwiepte vrijwel gelijktijdig, het ding overboord!

Ik weet niet of ik op zijn vraag geantwoord heb, wel weet ik dat op dat moment een intens gevoel van leegte over mij kwam.

 

Niet zozeer om het verlies van mijn ransel waarover ik al die jaren gewaakt had en waaraan ik gehecht geraakt was maar, daarin zat o.a. mijn van Jaap gekregen sigarettenkoker met daarin gegraveerd de handtekening van Z.E. de G.G. van Nederlands Indie!

Ook zat in mijn “nette broekje” de ingenaaide Gulden met de beeltenis van onze Koningin Wilhelmina!

Voor ons het symbool van VRIJHEID en GERECHTIGHEID!  Ik bezat nu niets meer!  Alles dat ik ooit bezeten had was ik nu  kwijt!

Dat tractortje vervoerde mij over een heel groot tussendek.  Vele andere tractortjes deden gelijkertijd het zelfde werk en zij zetten ons neer in rijen van twee met daar tussen steeds een gang van circa 2 meter.

Kennelijk was het aantal minder-validen dat aan boord genomen moest worden, groter dan waarop gerekend was want een paar tractortjes gingen naar vliegtuigen, die aan het eind van “ons” dek verzameld waren, trokken die naar een andere opening in de scheepswand en …. daar gingen ze, dezelfde weg die mijn ransel gegaan was !

Er hurkte een schepeling naast me en vroeg of ik ergens behoefte aan had.  Ik zei dat ik door de laatste gebeurtenissen flabbergasted (verbijsterd) was!  Hij haalde wat voor mij te drinken en ging op z’n gemak op een krukje naast me zitten.  “Well, fire away!”  Ik vertelde hem dat ik het overboord gooien van die vliegtuigen, zo’n verkwisting vond!  “Jullie hebben zo lang in ellende geleefd en wij vinden dat het leven van ieder van jullie, meer waard is als 10 van die dingen!  Niemand had verwacht dat die atoombommen zo snel een eind zouden maken aan deze oorlog. “Back home” zijn duizenden mannen en vrouwen betrokken bij de productie van vliegtuigen.  Het onmiddellijk beeindigen daarvan zou een enorme werkeloosheid veroorzaken.  Er wordt daar nu op top-capaciteit geproduceerd en dat moet langzaam worden afgebouwd.  Het bergen van al die, ook de alsnog te produceren vliegtuigen zal nog een probleem vormen.  Maar, ik begrijp hoe jij dat voelt. Tenslotte hadden jullie niets!”

“Ja, en wat ik nog bezat hebben jullie ook overboord gegooid!”  “Met alles dat aan boord komt, moeten  wij voorzichtig zijn!  Het binnenlaten van “vermin, germs and alike” kan aan boord van een schip catastrofale gevolgen hebben!

Maar, ik ben ook het laatste van wat ik nog van voor de oorlog bezat, daarmee kwijt geraakt!

Hij moest opstaan voor een Jeep die met eten – op plates in rekken – kwam aanrijden.  2 Man liepen achter die steeds langzaam voort rijdende Jeep, grepen dan zo’n plateau en reikten het aan een patient.

Snel aanpakken was geboden want anders lieten zij dat ding botweg vallen met de boodschap “We’ll come back!”.

Aan het einde van die gang zag ik de Jeep omlaag gaan. Kort hierop kwamen mannen met waterslangen en werd het dek schoon gespoten.  Alles, met plates en al ging overboord!

Niet lang daarna kwamen die Jeeps weer terug, nu gevolgd door meer mannen en wel steeds stoppend.  Had je een lege plate dan werd die weggehaald en vroegen ze of je nog wat wilde hebben. Had je geen leeg dienblad voor je, dan kwam iemand met een vol bij je zitten.  Zo nodig werd je door hem gevoerd.

Door deze werkwijze had een ieder in korte tijd zijn maaltijd, . . .  en zijn buikje vol!  Een gevoel dat je in jaren gemist had!

Na het eten kwam die schepeling weer op zijn krukje bij me zitten.

Hij had een pakje bij zich, gaf dat aan mij en zei “Let the past be over and done with and let this humble present from the United States Navy be the first thing you own and may it accompany you in a brilliant future!”.

In dat pakje zaten 6 roestvrij stalen lepeltjes. Toen hij weg ging kreeg ik een gevoel over me van “ik heb toch weer iets dat van mij is en ik zal mijn best doen daar meer aan toe te voegen”!

Sindsdien ben ik zo vaak het een of ander, ook wel alles, kwijt geraakt maar door de jaren heen heb ik die lepeltjes kunnen behouden!  Een er van ben ik hier in Australie kwijt geraakt.  Vooral wanneer ik weer iets opnieuw moest beginnen, herinnerde zo’n lepeltje mij aan de woorden van die schepeling van de Block Island en ging ik weer vol goede moed aan de slag!

N.B. Onlangs vroeg Michael Hurst of hij een van die lepeltjes voor zijn museum in Taipei mocht hebben.  Omdat ik weet dat ik beslist niet weer iets opnieuw hoef te beginnen, heb ik hem 3 ervan gestuurd.

Op de 6e september 1945 lichtte de Block Island het anker en toen we op de 9e in Manilla aankwamen, kreeg ik aan boord bezoek van de Nederlandse Zaakgelastigde (zijn naam ben ik helaas vergeten!) van wie ik vernam dat ik de enige Nederlander aan boord was en ook de eerst in Manilla aangekomene.

Ik werd regelrecht naar het grote 115e  Amerikaanse  Leger-Hospitaal gebracht!

Na allerlei onderzoeken en testen werd ik gewogen en duidelijk te licht bevonden! Iets over de 38 Kg.! Toen ik op mijn bed lag kwam een dokter mij vertellen dat ik mij, vooral wat het eten betrof, aan de instructies van de nurses moest houden en dat hij verwachtte dat ik na een maand het Hospitaal zou verlaten!  Maar, wat is er met jouw rug gebeurd? Er zit een knik in jouw ruggegraad!

Ik vertelde hem over die Japanse Sergeant-Majoor die met z’n laarzen aan op mijn rug gesprongen was. “Wat er ook gebeurd, sta nooit toe dat ze aan jouw rug gaan opereren.  De kans is heel groot dat je daardoor helemaal verlamd raakt!”  Ik dacht “zeg dat maar tegen een Leger-dokter!”  Daarom vroeg ik hem om mij dat schriftelijk te bevestigen, hetgeen hij gedaan heeft. (Als ik mij niet vergis heb ik zijn brief in 1962 aan Pelita gegeven).

 

Van zonsopkomst tot zonsondergang steeg van het nabije vliegveld, iedere anderhalve minuut een vliegtuig op en denderde over het Hospitaal-complex.

Er landde met dezelfde frequentie een vliegtuig van de andere zijde. Ook in het donker werd gevlogen, zij het niet met die frequentie.  Wat een organisatie moest daar achter zitten!  En wat een brandstof-voorraad! Een vliegtuig landt, lost, tankt, krijgt een check-up, laadt en het is  weer “weg wezen”!

Onze behandeling in dat Hospitaal was in een woord Excellent!  Doktoren en verplegend personeel sloofden zich uit om het de patienten naar de zin te maken! Toen de ochtend na mijn opname, nog voor de dokters-ronde, het hoofdeinde van mijn bed omhoog werd gekrikt, kon ik voor het eerst mijn benen goed bekijken!  Een bot met een rimpelige huid en een dun laagje vlees er tussen – een grote knobbel, gevolgd door iets dat er niet veel beter uit zag als het begin, eindigend in  rode, gezwollen enkels en voeten!  Toen ik de dokter vroeg of ik ooit weer normaal zou kunnen lopen, verzekerde hij mij dat ik over een dag of 10 meer zou rondlopen dan in m’n bed liggen!  En hij had gelijk !

Ik had het voordeel dat een zekere Nurse Klinkenberg aan mij was toegewezen.  Zij vertelde me dat onmiddellijk na beeindiging van de oorlog, in Amerika een oproep was gedaan aan verplegend personeel wiens medewerking gevraagd werd bij de opvang en verpleging van ex-krijgsgevangenen.  Zij, een dochter van Nederlandse ouders, was in Amerika geboren en sprak zelf geen Nederlands,  had zich gemeld en te kennen gegeven dat zij het liefst Nederlanders wilde verplegen.

Omdat ik als eerste en ook als enige Nederlander in onze squad was opgenomen, was zij met mijn verzorging belast.

Zij vertelde mij vaak over het leven “back home” en ik vertelde haar over ons leven in Indie en ook over mijn vriendin Bea Ingenluyff, van wie ik sinds maart 1942 niets meer vernomen had.  Zou zij de Jappentijd overleefd hebben?

In onze quonset was een klein keukentje waarin de lopende patienten mochten kokerellen.  Als je ‘smorgens jouw nurse vertelde wat je maken wilde, waarbij zij jou graag adviseerde, stond om 9 uur het nodige voor je klaar!  Ik maakte o.a. graag gevulde omelet, met als vulling bladgroenten, stukken gekookt ei,  aardappelen en corned beef.  Ook bij de overige patienten ging dat er in als koek!  Chocolade toffee, ja zelfs heb ik een keer een pan met erwtensoep met worstjes en gebakken sjalotten gemaakt.  Nurse Klinkenberg  merkte op  “dit smaakt even lekker als wanneer mijn moeder dit maakte!”.

Voor de lopende patienten was er vrijwel iedere avond een of andere vorm van “entertainment”.  Gochelaars, acrobaten die ook overdag op de ziekenzalen optraden, filmvoorstellingen van zowel oude bekende als de nieuwste films etc.  Het meest gewaardeerd was een spel dat in een openlucht-theater gehouden werd.  Bij binnenkomst kreeg ieder een nummer.

Naderhand werden steeds 3 nummers getrokken en de namen afgeroepen en mochten de 3 gelukkigen hun plaats op een podium innemen.  Daarna verscheen aan de andere zijde van een tussenwand een jonge dame “in burger”.

Over en weer werd door vraag en antwoord kennis gemaakt.  Liegen was daarbij toegestaan!  En dat konden sommigen heel goed!!

Zo beschreef een klein en dik vrouwtje zichzelf als “ik heb net mijn 21e verjaardag gevierd, ben blond, rook niet, houd van dansen,… Zij werd door de Amerikaanse vragensteller geinterrumpeerd met “I don’t give a damn about the colour of your hair!  Just tell me some more about your figure!”  waarop zij antwoordde “mijn bijnaam is Jane omdat ik volgens velen het figuur van Jane Harlow heb”. Uit de reactie van het publiek – gelach, gehoon, gefluit – moest je jouw conclusie trekken. Moeilijk, want vaak was het publiek op de hand van de dame en kreeg je de indruk dat ze de waarheid sprak.  Maar omgekeerd idem dito!  Als de 3 patienten hun woordje gedaan hadden, gaf de dame haar oordeel over 1, 2 en 3 en deed tenslotte haar keuze.  De daarop volgende kennismaking was  voor beiden meestal een verrassing!  De uitverkorene mocht die avond, in z’n hospitaal-pyjama, met haar uitgaan.  Een Jeep met chauffeur stond het stel ter beschikking.  Omdat beiden geen uniform droegen waren zij rangloos en hadden overal toegang.  Bovendien gaf die pyjama overal voorrang en mocht je bijvoorbeeld zonder enig bezwaar, een lange rij wachtenden voorbij lopen om als eerst volgende geholpen te worden!

Ook ik heb het geluk gehad uitverkoren te worden!  De lady was haast het tegenovergestelde van hetgeen ik verwachtte!  Een slanke statige schoonheid!

Op haar vraag waar ik heen wilde heb ik geantwoord dat ik nog niet buiten het hospitaal-complex geweest was en dat ik graag alles aan haar overliet.  Als eerste bezochten we een Officiers-club. Er werd onmiddellijk plaats voor ons gemaakt!

Nee hoor, ik had echt niet de illusie dat dat voor mij gedaan werd!  De mij aangeboden alcoholische drankjes heb ik afgeslagen maar wel genoot ik van de frisdrankjes.

Hoewel de mij vergezellende lady zich alleen met haar voornaam aan mij had voorgesteld, vermoedde ik dat zij zelf ook een officiersrang had, gelet op het gemak waarmee zij zich in deze omgeving bewoog.  Na een bezoek aan een chique eetgelegenheid en een nachtclub eindigden wij onze avond met een half uurtje op het strand te zitten en te genieten van een frisse bries, het geruis van de golven, een mooie sterrenhemel en wat gebabbel.  Moe en happy heb ik in de vroege ochtenduren mijn (veld-)bed weer opgezocht!

Niets duurt eeuwig en zo vertelde mijn dokter in begin oktober dat ik de volgende dag uit het Hospitaal ontslagen zou worden en naar het grote 5th Replacement kampement zou verhuizen.

Voor ik het Hospitaal verliet, moest ik op de weegschaal staan (63 Kg.!) en kreeg van mijn dokter het advies “Je bent hier 25 Kg. bijgekomen maar je moet van die 25 Kg. nog echt vlees en spieren maken!  Ik adviseer je daarom, doe zo veel mogelijk aan sport zoals, wandelen, zwemmen en andere lichaams-bewegingen maar, overdrijf niet!  Eet op tijd, veel groenten en vruchten en geen alcohol!”

Ik moest Nurse Klinkenberg beloven dat ik haar op de 9e in het Nurses-home zou opzoeken want daags daarop zou zij “naar huis” vliegen.

Toen zij dat zei bekroop mij een gevoel van eenzaamheid!  Zou ik dat ooit kunnen zeggen?  De sporadische berichten over Indie die ons bereikten, doorgaans in de vorm van geruchten, voorspelden niet veel goeds!

Ik werd in een Jeep naar het grote 5th Replacement Kampement gebracht.  Nadat mij daar mijn plaats gewezen was, werd ik naar een grote quonset verwezen.  Ik moest daar mijn “uitrusting” halen.  Bij de ingang werd ik door een Amerikaan gemonsterd en met de boodschap “Je vindt jouw maat in vak D. Dat is vooraan, aan de rechter zij.  Neem een plunjezak, dan 3 stuks van al wat volgt en aan het eind vind je een muskietennet en een veldbed”.

Toen ik met m’n gevulde plunjezak en veldbed op m’n schouder bij de uitgang kwam, werd mij gevraagd of ik dacht genoeg te hebben.

Ik keek de man niet begrijpend aan waarop hij zei “als je meer wilt hebben kun je gerust omlopen en weer een zak vullen, als je er maar geen handel in drijft!  Ik zette mijn eerste “buit” bij hem, ben toen omgelopen en werd door de man die mij eerst wegwijs had gemaakt, verwelkomd met de woorden “You know your way!” Op deze route heb ik alleen de zak gevuld.

Toen ik de lading bij mijn plaats in het tentenkamp gebracht had en mijn veldbed had opgezet, bedacht ik dat ik best een reserve veldbed wilde hebben.  Ik ben toen maar weer naar dat magazijn gegaan en ook weer met 2 gevulde plunjezakken, 2 klamboes en een veldbed naar mijn plaats terug gekeerd.

Op de 9e stond ik, na 3 overstappen, al liftende, eindelijk voor een quonset-kamp.  Bij aankomst moest ik me bij de W.A.C. (Women Army Corps) wacht melden.  Nurse Klinkenberg? Ja, zij verwacht je.  Onder geleide van een van die dames mocht ik dat vrouwenoord binnen gaan.  Bij de quonset werd ik met gejuich begroet door een twintigtal nurses!  Wij gingen aan een grote tafel zitten en al gauw werd thee geserveerd en een taart aangedragen!  Allen hoopten dat wij ex-krijgsgevangenen ook weer gauw huiswaarts zouden keren en onze dierbaren in goede gezondheid zouden terug zien!  Toen ik het tijd vond om weer “huiswaarts” te keren, kwam  Nurse Klinkenberg met een grote koffer voor de dag!  Wij gaan morgen allen naar huis.  Omdat wij daarna niets meer aan deze kleren hebben en Bea die beslist goed zal kunnen gebruiken, hebben wij allemaal iets afgestaan en vragen jou dit voor haar mee te nemen! Jij mag deze koffer niet openen voor je hem aan Bea hebt gegeven!  Hierna moest ik nog even wachten op een W.A.C.-geleide die, heel gedienstig, die koffer voor me tot aan het wachthuis droeg!

Daarna slaagde ik er in om liftende, met die nogal zware koffer, het 5th Replacement kamp te bereiken.

Manilla kende toen nog geen openbaar vervoer. Wilde je ergens heen, dan was je op een lift – of meerdere – aangewezen.

Stopte een of ander vehikel en riep de bestuurder waar hij naar toe reed en zag je dat de bestuurder een neger was, dan was soms jouw bestemming niet die waar hij heen reed!

Discriminatie!? Nee hoor, zelfbehoud!  Vele negers dronken graag onder het rijden! Ik kreeg eens een lift en mocht naast de (neger-) bestuurder zitten. Voor ons reed een officier, alleen in een Jeep.  Daarvoor reed een zware truck. Bij een rood verkeerslicht stopte die truck en ook de Jeep.  Ook “onze” truck verminderde vaart maar de bestuurder verzuimde op het rempedaal te drukken, waardoor de Jeep tegen die zware truck werd gedrukt!  Die officier kon er nog net op tijd uit springen want onze truck bleef nog wat door rollen en veranderde die Jeep in een wrak!  Toen die officier, ontdaan!, onze bestuurder vroeg of diens remmen niet werkten, lichtte deze lachend zijn schouders en liet zijn handpalmen zien, alsof hij er echt niets aan had kunnen doen!  Toen het licht weer op groen sprong en de zware truck zijn weg vervolgde, schoof “onze” bestuurder het wrak naar de wegberm en met een extra dot gas, gedeeltelijk in die berm!  En een lol dat hij had!  Daar moest hij gauw weer een slok bier op nemen!

 

Tegen sluitingstijd van de grote leger-kantine in Manilla, waar ik voor 10,= Peseta mijn eerste Parker ballpen had gekocht, stonden velen op een lift te wachten.  De meeste voertuigen reden door.  Ik zag eens een statige Philippijnse schoonheid die voor een groepje wachtenden ging staan, het bekende liftgebaar maakte en toen een truck aanstalten maakte om te stoppen, tegen de wachtenden zei “You got to be quick!” Toen de truck tot stilstand was gekomen, zond ze een handkus naar de bestuurder en zei “Very kind of you, sweetheart!”, keerde zich om en verdween! Zonder zich ook maar iets te bekommeren om de mannen die probeerden op de hoge laadbak te komen, reed hij met een schok weg!

 

Gedurende mijn verblijf in Manilla heb ik nooit mijn kleren gewassen of laten wassen! Ik had mij laten vertellen dat je in het noordelijk van Manilla gelegen Tegaloh-meer kon zwemmen.  Een lift bracht mij daar en al gauw zag ik een Philippino die met een werpnet bezig was vis te vangen.  Ik vroeg of ik dat voor hem mocht doen en zei dat hij de door mij gevangen vissen mocht hebben.  Bereidwillig stond hij zijn bootje en net aan mij af en zei , naar een bouwsel wijzend, “ik woon daar en kom straks wel de vis halen”.  Ik had aardig wat gevangen en van het afwisselend vissen en zwemmen moe geworden, ben ik naar dat bouwsel gelopen. Dat bouwsel bestond uit een warong (eethuisje) aan de straatzijde en daar achter tegenaan gebouwd maar op een verhoging, het woonhuis. Toen de man met dat blik met vissen terug gekomen was, zei hij dat ik, als ik wilde, iedere dag van zijn bootje (een eenvoudig prauwtje met een vlerk aan een zijde), en net gebruik mocht maken. Het eten zag er smakelijk uit en ik vroeg zijn vrouw mij wat op te scheppen.  Het eten smaakte ook goed!

Toen ik wilde betalen gaf hij te kennen dat ik met de door mij gevangen vis, ruimschoots betaald had!  Als ik wilde kon ik de nacht bij hun doorbrengen en hoefde ik niet op een mogelijke lift te wachten.

Ik zei dat ik wel verschoning nodig had, daarom naar het kamp terug wilde gaan maar graag  terug zou komen om te vissen!  Het was al haast donker toen ik eindelijk een lift kon krijgen naar 5th Replacement!  Met een bundeltje kleren (ik miste mijn ransel wel!) en een in de grote kantine gekocht zwembroekje, ben ik weer op stap gegaan.  Op de dagen van soldij-betaling en verstrekkingen (sigaretten, bier e.d.) ging ik naar het kamp om daarna daarmee en met de nodige verschoning, weer naar het meer te gaan. De gedragen kleren gaf ik aan die man die er heel blij mee was.     

Ons leven was zo doelloos en het in feite niets doen, begon mij danig te vervelen! Het “nieuws” uit Indie dat ons bereikte was ook al verre van hoopgevend.

Daarom reed ik eens mee met een paar Australiers die voor hun thuisreis naar het vliegveld gebracht werden.  Daar knoopte ik een gesprek aan met een Australische Kapitein en vertelde hem dat Brigadier Blackburn mij geadviseerd had om naar Australie te immigreren. “Ben je een P.O.W.?”  “Ja”.  ”Wel, wat let je?  Er is altijd nog wel een plaats vrij in de daarheen vliegende vliegtuigen!”  “Bedankt voor de informatie!”

En ik terug naar het kamp en naar ons Stafkwartier!  Toen ik daar een Luitenant over mijn voornemen had geinformeerd zei hij “Dat kun je beter uit jouw hoofd laten want jij valt nog steeds onder de krijgstucht en je zou je schuldig maken aan desertie! En daar kan je nog jaren later voor vervolgd worden!

Gedesillusioneerd heb ik mijn reserve veldbed en een klamboe gehaald en ben weer naar “mijn visser aan het meer” gelift!  Eigenlijk heb ik daar meer verbleven dan in het kamp waar ik in hoofdzaak kwam om te informeren naar de laatste berichten en mijn rantsoenen en soldij op te halen!

Onderstaand de Krijgsgevangenen lijst van deze Special Party

DSC_0977

 

DSC_0978

 

DSC_0979

DSC_0980

 

Dit verhaal wordt nog bewerkt met meer foto’s en kaarten