Zijn passie om zeeman te worden heeft hij zeker gemaakt, het speelde vlak voor de tweede wereldoorlog, hij gaf zich op bij de Koninklijke Marine dat was op zijn verjaardag 14 september 1939.toen hij zeventien jaar werd.
Wijnand Claes geboren in Amsterdam 14 september 1922.
Hij was nauwelijks drie maanden in opleiding in Vlissingen, toen de Duitsers Nederland binnen vielen.
Zijn onderkomen in Vlissingen was op het Wachtschip Hr. Ms. “Noord Brabant”

Aan boord van het wachtschip werden wij meteen gekeurd. Van de dokter gingen we naar de kapper. Hij kortwiekte onze haren, we mochten alleen een soort scheerkwast op ons voorhoofd houden. ‘De vorige lichting heb ik nog helemaal kaalgeschoren’, troostte hij. Veel hadden we er niet aan, want ondanks die scheerkwast noemde iedereen aan boord ons ‘de kalen’. Toen kregen we onze verblijven toegewezen: iedereen een kooi en een plunjekast.
Daarna kregen we nog de nodige ‘verstrekkingen’ een wit werkpak. wat ondergoed en ook een wit blauw gestreept hemd. Officieel heette het streepjeshemd ‘frokje’ maar iedereen noemde het ‘sing-singhemd’. Toen werd ons de volledige uitrusting verstrekt: een plunjezak compleet heette die in marine-termen.
Onze burgerkleding ging naar het kledingmagazijn en zou na drie maanden naar ons burgeradres worden gezonden.
Maar dat is nooit gebeurd, want toen was ons land al betrokken geraakt bij de tweede wereldoorlog.
We werden in groepen verdeeld, elke groep heette een bak, aan het hoofd ervan stond een baksmeester.
De Opleiding
De eerste morgen schrok ik wakker van een schril gefluit en een trap onder mijn kooi van de baksmeester. Het was opstaan geblazen; ‘overal’ noemde men dat. Zo vanuit onze warme kooi werden we met een ontbloot bovenlijf en een wasblik ijswater naar dek gestuurd. Het was februari en het vroor dat het kraakte: in 1940 hadden we een strenge winter. Het was dé methode om ‘de kalen‘ te harden. oordeelde het kader. Sommige jongens kregen een scheut ijskoud water over zich heen als extraatje. De marteling herhaalde zich elke morgen. We ondergingen het gelaten: het hoorde er nu eenmaal bij.
9 Tot en met 13 mei 1940
De negende mei 1940 hadden we het druk met het optuigen van de zeilsloepen. We hadden pas onze eerste opleiding en waren bevorderd van ‘kalen’ tot ‘oudsten’. De volgende dag zouden we onze eerste zeiltocht maken: naar Breskens en misschien nog verder. We gingen vroeg slapen, want we moesten de volgende morgen al om vier uur op.
Plotseling, om drie uur in de nacht, werd alarm geslagen. We schrokken wakker. Opeens hoorden we schreeuwen: Het is oorlog. De Moffen zijn ons land binnengevallen.
We kregen bevel om naar de wapenkamer te gaan. Daar werden aan ieder een geweer, een bajonet, een gasmasker, een koppel en patronen verstrekt. Toen wisten we pas echt dat het oorlog was. Binnen enkele ogenblikken stonden we klaar om aan de acties deel te nemen. We waren allen woedend op de Moffen Leugenaars en verraders waren het’
Wij rukten uit met enige gevorderde autobussen van een particuliere onderneming. We schoven het dak van onze bus open en staken onze geweren in de aanslag door de opening. Behalve onze geweren hadden we één Lewismitrailleur en een paar kistjes munitie.
Van het duingebied werden we naar de scheepswerf ‘De Schelde’ gestuurd: daar zou een groep Duitse parachutisten zitten. We kregen de berichten door vvan onze ‘inlichtingdienst’ , burgers van Vlissingen die naar de radio luisterden.
Behoedzaam sluipend doorkruisten we een half uur lang het terrein van de werf. Het was levensgevaarlijk. Er viel weliswaar geen parachutist te bekennen. maar wist wie vriend of vijand was, en we dreigden voortdurend elkaar te beschieten.
We keerden terug naar ons opleidingsschip, de Noord-Brabant. Daar moesten we verzamelen onder pantserdek. We hadden bericht ontvangen, dat er vijandelijke vliegtuigen in aantocht waren.
Het bombardement bleef uit. Er verschenen wel Duitse verkenningsvliegtuigen boven Vlissingen. Ze hadden vooral belangstelling voor de haven en de marinebasis.
Toen het sein ‘veilig’ was gegeven, mochten we het schip verlaten. We brachten alle wapens en onze volledige uitrusting naar het grasveld voor het schip. Alles werd grondig geïnspecteerd. We waren al gekleed in het “landingsdivisie-tenue’.
Als er bomalarm werd gegeven, moesten we naar de schuilkelder. Die was voor het schip. in het midden van het grasveld.
Er was nog geen ‘bomvrije’kelder. Hij werd gebruikt door de radiodienst, alleen bevelvoerders mochten er binnen gaan.
Gedurende de tiende, elfde en twaalfde mei voerden de Duitsers vooral verkenningsvluchten uit. Ze patrouilleerden dag en nacht en vlogen soms heel laag over ons heen, zodat er van slapen niets kwam. We zagen machteloos toe, hoe ze de toegang tot de haven van Vlissingen met magnetische mijnen versperden. Hoe moesten wij nu ooit wegkomen? Maar de onderzeeboten Hr. Ms. O-21 en O-22 slaagden er toch in om dwars door het mijnveld te ontsnappen. Ze waren nog niet eens afgebouwd en namen zo veel mogelijk reserve-onderdelen mee. het gaf ons weer een beetje moed.

14 Mei 1940
Op 14 mei 1940 begon de Duitse aanval op de stelling Zeeland. Bij tientallen tegelijk kwamen de vijandelijke vliegtuigen op zetten. Ze lieten lukraak bommen vallen op de marinewerf, ons wachtschip Noord-Brabant, het spoorstation en de haven. Zodra we ze hoorden aankomen, zochten we dekking in de schuilkelder op het veld voor ons schip.
15 mei 1940
De hele nacht ronkten de vliegtuigen over en er werd steeds luchtalarm gegeven. Langer dan vijf minuten bleef het nooit stil. De Duitsers wierpen series van twaalf tot vijftien bommen af. Ze deden het lukraak zonder te richten. De meeste kwamen aan de overzijde van het kanaal, onder meer bij de keersluizen. Enkele vielen naaste de oude watertoren, ongeveer honderd meter bij ons vandaan. daar werd een dikke boom weggeslagen.
Tegen de morgen ronkten er opeens een paar vliegtuigen. Ik deed een paar passen naar voren en keek door de half open deur van het schip naar buiten. Sonke, een maat uit Zeeland, kwam bij me staan. Twee Messerschmitts 110 kwamen in razende vaart op ons af, ze vlogen maar op honderd meter hoogte over ons heen en vuurden aanhoudend met hun mitrailleurs.
Eén van de Messerschmitts kwam terug. Hij koerste recht op ons af. maar niet om ons aan te vallen. Het toestel was aangeschoten en de piloten probeerden een noodlanding te maken. Maar ze kregen er geen tijd meer voor. Het toestel raasde met vlammende motoren naar beneden en stortte precies op het oude spoorstation neer.

Crash No 43 BF-110 13-05-1940 Vlissingen
Een succes voor de mitrailleurpelotons.
Het 73ste. en 74ste.Pel.Lu.Mitr. beleefden op deze dag hun finest hour! Het moreel, dat
aanvankelijk was gedaald als gevolg van de aanhoudende beschietingen, veerde op na het
neerschieten van een aanvallende Messerschmitt Zerstörer.
Deze machine – een Bf 110C van 5./ZG 1 – maakte, zoals reeds weergegeven, deel uit van een
grotere formatie. Na haar uitvoerende taken te hebben volbracht (het escorteren van Heinkels,
die de scheepvaart op de Westerschelde bombardeerden) besloot de piloot – wellicht in een
overmoedige bui – in duikvlucht een koopvaarder te mitrailleren.
Zoals bekend hadden Franse troepen een Hotchkiss afweerbatterij geplaatst op het fort de
Ruyter ten oosten van Vlissingen. Deze batterij opende met haar zes stukken als eerste het
vuur met – kort daarna – de mitrailleurs van het 73ste. en 74ste. peloton. Een bij een kustbatterij
opgestelde mitrailleur opende eveneens het vuur! De Messerschmitt werd getroffen en raakte
uit balans waarna Hauptmann Roderich Küppers het zware vliegtuig niet meer uit zijn
duikvlucht kon optrekken.
Het toestel raakte het dak van het station. Na een korte stilte explodeerde het vliegtuig waarna
het volledig uitbrandde.
Duitse Messerschmitt Bf 110C op het oude station.
Berging van de stoffelijke resten.
Van de Zerstörer bleef niets anders over dan wat brandende wrakstukken. Hptm. Roderich
Küppers en zijn marconist/boordschutter Fw. Erhard Behrend waren om het leven gekomen.
Een ploeg van het Rode Kruis onder leiding van Dr. Jens was snel ter plaatse maar het was
onmogelijk om de brandende machine, waarvan een gedeelte achter het station was gevallen,
te naderen temeer daar de kans op ontploffingen groot was. Eerst in de loop van de avond
slaagde men er met veel moeite in om de zwartgeblakerde en kromgetrokken lijken – iets
zwarts met flarden van kleding en een afschuwelijke lucht verspreidende massa, dat inderdaad
een gedeelte van een lichaam bleek te zijn – uit de nog rokende puinhopen te slepen. De
rechterarm van Roderick Küppers was voor zijn verkoolde hoofd gebogen als wilde hij het
naderende onheil nog afwenden.
Er zat niets anders op dan de arm ter plaatse te amputeren daar anders het deksel niet op de
kist kon worden geplaatst. De Rode Kruis helpers hadden het er maar moeilijk mee.
De stoffelijke resten van Erhard Behrend werden op 14 mei op de Noorder begraafplaats te
Vlissingen ter aarde besteld. Die van Küppers volgden op 15 mei.
Aanzicht Vlissingen na de Duitse aanval Mei 1940

16 mei 1940
De dag begon al weer goed: met een bombardement van de Duitsers. De ene aanval volgde op de andere. We hadden ons langs de weg gelegerd, opdat de Duitse piloten ons niet konden zien en ons niet met hun mitrailleur zouden neermaaien. Plotseling klonk er een geweldig gedonder en gekraak. Er volgde een ontploffing, de scherven vlogen ons om de oren. We lieten ons als één man op de grond vallen. Vlakbij ons was een bom neergekomen. Een Indische jongen die naast me lag kreeg een scherf in zijn dijbeen en moest naar het ziekenhuis worden gebracht. Ikzelf kreeg een scherf over mijn schoen. Er kwam een diepe snee in.
Een poosje later werd het een andere marinier te machtig. Zijn gezicht werd asgrauw, hij keek wild om zich heen of hij de Moffen niet zag komen, maar hij zei niets. Opeens vloog hij op ons af. Hij dacht dat wij Duitsers waren. Ook hij werd afgevoerd.
Tijdens één van de bombardementen zagen wij hèt wonder van de oorlog: één echt Engels vliegtuig in gevecht met Duitse toestellen. Het zat langer dan een kwartier achter de Duitsers aan en er werd flink geschoten. Maar hij haalde geen toestel neer. De Engelsman verdween weer.
17 Mei 1940
Na een onrustige nacht werd het eindelijk licht. De lucht gonsde van geruchten. Ze kwamen erop neer, dat het hele land door de Duitsers bezet was, dat Rotterdam plat gebombardeerd was en dat wij van de rest van Nederland afgesneden waren.
Terwijl ik dat allemaal bij stukjes en beetjes hoorde, dacht ik aan mijn ouders. Zouden de Moffen al in Amsterdam zijn? Waren ze daar aan moorden geslagen of hadden ze de burgerij met rust gelaten? Zouden de Duitse tanks echt met vrouwen en kinderen voorop Noord-Brabant ingetrokken zijn. Waar waren ze nu? Al in Walcheren? En wat werd er dan van ons?
We waren nog in opleiding, de meeste van ons waren nog niet eens achttien jaar oud, en we hadden de eed van trouw nog niet afgelegd. Daarom konden we kiezen: de wapens opnemen en doorvechten,, of op eigen risico naar huis gaan met de mogelijkheid dat we krijgsgevangen worden gemaakt. Ongeveer van ons besloten door te vechten. slechts een paar wilden graag naar huis.
Gelukkig bleven adjudant Vlaswinkel en Luitenant ter zee Capel ons trouw. Zij namen vastberaden de leiding en brachten ons allereerst naar de bottelarij. Ere was voor ieder nog een brood en er stonden wat flessen melk. De bottelarij werd in een ommezien leeggeplunderd. We mochten ieder één deken meenemen, wat ondergoed en verder onze geweren met munitie. De rest moesten we achterlaten, ook onze persoonlijke bezittingen, ik zag kans om mijn fototoestel mee te smokkelen.
Aldus gewapend met een geweer, een deken en een brood marcheerden we af naar de laatste veerpont die zou oversteken van Vlissingen naar Breskens.
De oversteek naar Beveland
De oorlogsrol van de PSD begint met de Franse militairen die Zeeland komen verdedigen. Op de eerste oorlogsdag komen de soldaten massaal vanuit Frankrijk aan in Breskens, Terneuzen en Walsoorden, ten einde de Westerschelde over te steken. Aan ‘de overkant’ voegde men zich bij de verdedigingslinies op Zuid-Beveland. De PSD’ers maken overuren om alle troepen over de Westerschelde te vervoeren.
De oversteek naar Zeeuws-Vlaanderen
Als de strijd onhoudbaar wordt op 17 mei zien we een tegenovergestelde beweging. Met alles wat vaart proberen militairen terug de Westerschelde over te varen. Niet zonder gevaar. Bedenk bijvoorbeeld dat een paar dagen eerder het neutrale hospitaalschip Luctor et Emergo zonk na een Luftwaffe-bombardement.
De overtochten op 17 mei vinden plaats onder dramatische omstandigheden. Boven de skyline van Vlissingen zien we de rookwolken van een brandend Middelburg, uit alle richtingen klinkt gebulder van artillerievuur. Terug naar kapitein Verdoorn. Hij krijgt op 17 mei 16u het bericht dat alle veerboten zich vanuit Breskens naar Vlissingen moeten begeven om Franse troepen op te halen. Ditmaal is er dekking van Franse oorlogsschepen in de Scheldemonding.

De vloot van de PSD is zwaar beschadigd. De tactiek van het vernietigen van de schepen had een goede uitwerking. De Ooster-Schelde, Prins Willem I, Prins Hendrik, Prinses Juliana en de Schouwen komen niet meer in de vaart tijdens de oorlog.
Achter ons verdween Vlissingen en voor ons kwam Breskens in zicht. De veerpont legde aan en de klep werd neergelaten. Auto’s vrachtwagens, handkarren, fietsen, matrozen, en soldaten gingen aan wal. Het was een complete chaos.
Onze groep van honderd man verzamelde zich zo goed en zo kwaad als dat ging rondom adjudant Vlaswinkel en Luitenant Capel. We laadden een handkar vol met draagbare wapens: lichte mitrailleurs, pistolen, geweren, patronene en zelfs een paar officierssabels. De hoge officieren in hun dure auto vertrokken zo snel mogelijk. ‘Denk je dat we ze ooit terug zien, de helden? Een deel van ons opleidingskader werd niet meer gezien. Zij deserteerden!
Tegen de avond bereikten we Sluis. We kregen er spontaan onderdak aangeboden in het klooster. We aten er allemaal één snee brood. Toen gingen we naar de zolder. Daar stonden met stro gevulde kribben voor ons klaar. Ze zagen er verleidelijk uit en we tolden van vermoeidheid. Maar slaap werd ons niet gegund. Er ronkten telkens Duitse bommenwerpers over en dan moesten we dekking zoeken. Op den duur had ik het gevoel of ik mijn hele leven nooit anders had gedaan dan ‘dekking’ zoeken’
18 mei 1940
We gingen verder, België in. Op een dag zouden we terugkomen! Dan zouden we de Duitsers verjagen. Want winnen konden de Moffen de oorlog nooit! Daarvoor waren ze te gemeen en waren ze ons land te verraderlijk binnengevallen!
We reisden te voet, per fiets, per vrachtauto, net wat we te pakken konden krijgen. We schoten vlug op, ook al was de weg vol met vluchtelingen. In alle dorpenwaar we doorkwamen, stonden de mensen meewarig naar ons te kijken.
De eerste grote stad in zicht: Brugge. We reden er op vrachtwagens binnen en werden voortdurend toegewuifd we stopten daar op de ‘Markt’ voor de grote kazerne en sprongen uit de wagens. Daar wachtte een grote teleurstelling: we moesten onze wapens in de auto’s achterlaten en er om de beurt de wacht bij houden. Ongewapend, als een verslagen colonne marcheerden we naar binnen. Het was een hard gelag na alles wat we doorstaan hadden.
Van Brugge trokken we naar Oostende, langs de boulevard. Ditmaal op de fiets. We hoopten dat we daar in de haven een schip zouden vinden, dat ons naar Engeland kon brengen. We belanden er in de ‘Generaal Mahieu’ kazerne. Er was geen eten. de kribben zaten vol wandluizen en de dekens waren te smerig om aan te raken. We moesten meteen dekking zoeken, want de Duitsers bombardeerden de stad en gooiden haar gedeeltelijk in puin. In de haven lagen wel enkele schepen, klaar voor vertrek naar Engeland, maar daar konden we niet meer bij op.
19 mei 1940
Per fiets vertrokken we van Oostende naar Nieuwpoort. Onderweg zagen we , dat de Duitsers in België ook al flink hadden huishouden. Er lagen gezonken schepen langs de kust en op het strand zagen we een zwaar beschadigd schip. Onderweg lag soms een stapel broden. Die waren door Franse militairen achtergelaten voor vluchtelingen die na hen kwamen.
In Nieuwpoort splitste onze colonne zich. Sonke, Lub en ik zaten in het kleinste gedeelte. We reden naar Veurne. We kwamen bij de kazerne waar honderdvijftig Duitse krijgsgevangenen stonden opgesteld, klaar voor transport naar Frankrijk. Lub werd woedend hij hen zag. “Schmutzige Schweinhuden!’ schold hij, en nog meer fraais. ‘Afmaken dat zooitje!’ schreeuwde hij tegen de Belgische militairen.
20 Mei 1940
‘Men” zei dat de Duitsers door de Maginotlinie waren heen gebroken en al dichtbij waren.
De Maginotlinie was een uitgebreide Franse verdedigingslinie, gebouwd tussen 1930 en 1938 om het land te beschermen tegen Duitse invasies.
De Maginotlinie (Frans: Ligne Maginot) was een Franse verdedigingslinie aangelegd tussen 1930 en 1938 op de grens met België, Luxemburg en Duitsland in het noorden en met Italië in het zuiden.
In Boulogne lag onze laatste kans om Engeland te varen. Als het daar niet zou lukken, moesten we proberen om zo snel mogelijk door Frankrijk te trekken en naar Spanje uit te wijken maar dat was een vreselijke lange reis. Ons door de Moffen laten pakken, vertikten we als één man.
We reden in een vrachtwagen Boulogne binnen en koersten recht op de haven af. We wilden zo gauw mogelijk weten of we nog naar Engeland konden oversteken. Sommige hadden de moed al opgegeven: en waren verschrikkelijk veel vluchtelingen en iedereen wilde weg.
Eindelijk boften we eens. We konden met de ‘Batavier II’ mee, een Hollands schip van de Batavierlijn.
’s Avonds om acht uur zouden we vertrekken.
We hadden nog even tijd om rond te kijken en de stad in te gaan, Boulogne ligt tegen de hellingen van de heuvels gebouwd. Alle straatjes gaan steil naar boven. De stad leek één grote achterbuurt, maar de mensen waren er vriendelijke. Het was druk in de straatjes, iederren stond naar de vluchtingen te kijken, behalve vele huismoeders, die inkopen deden. In een bakkerswinkel was het erg druk. Iedereen sleepte er met stokbroden. Ik wist een brood te bemachtigen en deelde het eerlijk met de maats met wie ik passagierde.
We slenterden terug naar de haven en gingen aan boord van de Batavier II. Het gonsde van de geruchten. De Duitsers zouden ondermeer gemeld hebben dat ze haven dat ze de Batavier II hadden vernietigd en dat het schip met man en muis was vergaan. Dat was dan in ieder geval niet waar. De Noord Brabant was in brand gestoken door eigen mensen.

De toestand werd ernstiger, de Duitsers zouden al vlak bij Calais zijn en konden elk ogenblik Boulogne gaan bombarderen. We popelden van ongeduld om te vertrekken: misschien was het al te laat. Om acht uur werden de trossen eindelijk losgegooid.
Even voelden wie ons opgelucht. Toen keerde de spanning terug. Zouden de Duitse vliegtuigen ons met rust laten? Die angst hadden we ook gehad, toen we de Westerschelde overstaken
Op het dek hadden we een paar lichte mitrailleurs zien staan om vijandelijke vliegtuigen mee weg te jagen, maar we wisten uit ervaring, dat ze niets tegen de Duitse Stuka’s konden uitrichten.
Opeens hoorden we vliegtuigen ronken. Meteen ratelde er een mitrailleur. Ik had zo naar boven willen vliegen, het benedendek was een drijvende doodskist. Ik keek door de open deur naar boven . De maan scheen. Even zag ik de schim van twee vliegtuigen. ‘Een Engelse Spitfire jaagt opeen Duits vliegtuig op de vlucht’ hoorde ik roepen. De matroos achter de mitrailleur begon van pure zenuwachtigheid te schieten. Een meerdere schoot toe en kafferde hem uit. Maar het kwaad was al geschied. Eén van de vliegtuigen dook naar beneden. Het was een Spitfire. Al duikend vuurde hij met zijn mitrailleurs naar ons schip. Daarna trok hij zijn toestel weer op. Vermoedelijk kreeg hij wel de indruk dat we naar Engeland uitweken.
Aan dek gekomen, zagen wij dat het ernst was geweest.
Even later wachtte ons een nieuwe sensatie: we moesten vermoedelijk door mijnenvelden heen. Dat vergrootte de angst onder de opvarende. We kwamen er zonder kleerscheuren doorheen. Het schip meerde af tussenPortsmouth en het eiland Wright en de Engelsen feliciteerden ons met de behouden aankomst. Jullie moeten door twee mijnvelden heen zijn gevaren, verklaarden ze.
Engeland is gesloten
Lees het op de volgende episode 2











