Engeland was gesloten
Op de morgen van de eenentwintigste Mei 1940 we fristen ons goedsmoeds wat op. Veel hielp het niet. Onze plunje zag er uit als een hoop vodden en we hadden geen andere. Maar wat hinderde het?
We waren in Engeland en we zouden spoedig aan land gaan. Daar zouden ze ons vast een nieuwe plunjezak voorzien. Monter verorberden we ons ontbijt: twee sneetjes brood met cornetbeef en warme thee.
We hingen over de railing om overste van Straelen, adjudant Vlaswinkel en luitenant Capel na te kijken. Ze gingen met de sloep naar de wal om de ontscheping te regelen. Onderwijl legden wij onze spullen op het bovendek te drogen. Ze waren nat geworden op de vochtige planken van het benedendek. We bekeken het spoor van mitrailleurkogels dat de Spitfire die nacht, toen we de haven van Boulogne pas hadden verlaten, over het dek had getrokken. We waren weer eens ternauwernood aan de dood ontsnapt.
(F.H.M. van Straelen was in Engeland commandant op de Bouclier Torpedobootjager 114 tijdelijk in dienst van Koninklijke Marine, uiteindelijk was de Bouclier van de Franse Marine geleend. )

Nu was de Batavier II een veerboot, bestemd om de ene dag van Rotterdam naar Hull. En de volgende dag van Hull naar Rotterdam te varen. Ze was niet geschikt als langdurig verblijf voor honderd man, allemaal jonge kerels tussen de zeventien en vijfentwintig jaar, die gespannen waren door alles wat ze hadden meegemaakt en door gebrek aan slaap en eten. We sliepen op het benedendek in een deken gerold op de harde planken.
We verveelden ons stierlijk. Bovendien kregen we veel te weinig eten: ’s morgens en ’s avonds brood met cornetbeef en ’s middags één in de schil gekookte aardappel en een gekookte ui.
Om het rantsoen wat aan te vullen gingen vissen vanaf het schip. We vingen ook wel eens wat en de kok was dan zo vriendelijk om de visjes voor ons klaar te maken. Ook het rantsoen van tien sigaretten per dag, hoe blij we daarmee ook waren, maakte het gebrek aan eten, bewegingsruimte en ontspanning niet goed. We hadden dan ook een enorme kater. We mopperden steeds meer, werden kribbig, maakte ruzie. Van de geest van eensgezindsheid tijdens de oorlogsdagen en onze vlucht door België en Franrijk was weinig meer over.
Toen we een paar dagen in de haven van Portsmouth hadden gelegen, voeren we met de Batavier II in een convooi van ongeveer dertig schepen naar Falmouth.

In de haven van Falmouth in het Engelse graafschap Cornwall gingen we opnieuw voor anker. Alles zag er vriendelijk uit. De haven lag vol zeilboten en plezierjachten. Het land in de verte was groen en heuvelachtig. We mochten nog altijd niet van boord en de Westernland lag vlak bij ons. Op 26 mei mochten Sonke en ik voor het eerst passagieren. Nu stonden voor het eerst op Engelse bodem. We kwamen in een andere wereld terecht.
Op de Westernland
Intussen was vice-admiraal Fürstner de man voor wie we naar de Westernland gekomen, met zijn toespraak begonnen. Hij zei, heel origineel, dat we een grootse taak te vervullen hadden. Het vaderland rekende op ons. Er zouden grote offers gevraagd worden. Hij eiste onder meer de inzet van onze gehele persoonlijkheid en zou, zo nodig, zelf zijn tekening zetten onder ons doodvonnis, als we zouden deserteren. ‘Hij wel!’ dachten we. We keken hem meewarrig aan. Zelf had hij nog geen schot gelost!
Aan boord van de Westernland
Ruim veertien dagen nadat we naar Engeland waren gevlucht, stonden we allemaal gepakt en gezakt aan dek van de Batavier II. De stemming was opperbest. We gingen verhuizen. Langszij lag een motorsloep. Eén voor één klommen we de touwladder af en sprongen daar aan boord. De sloep bracht ons met bekwame spoed naar de Westernland, onze nieuwe basis.
Van het ene ogenblik op het andere veranderden we van paupers in passagiers die op hun wenken werden bediend. We kregen nieuwe plunje we konden ons mandiën ( douchen), een bad nemen. Er was volop eten. We kregen ’s morgens gebakken eieren met spek. ’s middags de heerlijkste warme maaltijd en ’s avonds was er altijd iets extra’s bij het brood: soep, een pasteitje, een kroketje. Er werd de eerste niet gegeten maar gevreten.
7 Juni 1940
De Westernland vertrok van Falmouth naar Avonmouth om daar eindelijk de lading graan te lossen die ze voor de oorlog naar Engeland had gebracht. En omdat het schip onze basis was, mochten we mee. We werden begeleid door oude “G-boten’ ( torpedobootjagers) drijvende wrakken die op kolen werden gestookt en die de “Westernland’ nauwelijks konden bijhouden.
Tegelijkertijd zaten we voortdurend in angst, dat we aangevallen zouden worden door Duitse onderzeeboten..
Intussen was het nog altijd oorlog. Als ‘Radio Vrij Nederland’ voor de B.B.C. was, zaten we aan de stoel gekluisterd . In de hoop, dat men wat nieuws uit Holland bracht. Niemand wist hoe het thuis was: post kregen we nooit. De radio kon ons, wat dat betreft ook niet helpen. Italië verklaarde de oorlog aan de geallieerden. We schrokken er niet van, maar hadden het verwacht. De Italianen waren lafaards, dat hadden ze in Albanië wel getoond. Hun vloot stelde niets voor. Op 14 juni 1940 viel Parijs. In Engeland verwachtte men van die dag af een rechtstreekse Duitse aanval. De luchtmacht stond klaar om de klap op te vangen: bestond uit wat oude vliegtuigen.
A. den Doolaard later in de oorlog voor de microfoon van Radio Oranje. Afbeelding via Nationaal Archief 2.24.01.01
Moed en vertrouwen
De uitzendingen van Vrij Nederland werden in Nederland al snel opgemerkt. Het bericht nr. 7 (3 juni 1940) van de befaamde Geuzenactie sloot af met de oproep ‘Luister ook naar Radio Vrij Nederland’, met vermelding van de golflengten en uitzendtijden. De woorden ‘moed en vertrouwen’ uit de vaste slotzin ‘Moed en vertrouwen, luisteraars, Nederland zal nooit een Duitse provincie worden!’ waarmee elke uitzending van Vrij Nederland afsloot, werden in het bezette Nederland een bekende groet.
Het regende bommen
2 juli 1940
Ons tweede verblijf in Falmouth begon met een feestelijke gebeurtenis. We werden geïnspecteerd door Prins Bernard. Hij was gekleed in uniform van luitenant ter zee eerste klasse. Stram in de houding en met strakke gezichten lieten we hem langs ons gaan, maar aan onze ogen ontging niets. Ik had hem nog nooit zo dichtbij gezien. weleens op de Dam.
6 Juli 1940
We moesten de Westernland verlaten,. We werden ondergebracht in een soldatenkamp te Falmouth, want ons nieuwe verblijf, het passagiersschip ‘Stuyvesant’ was nog niet binnen. We doolden er wat rond, de Engelsen wisten geen raad met ons.
7-9 Juli 1940
De Duitser begonnen Falmouth geregeld te bombarderen. Er vielen brandbommen vlakbij de olietanks en een Spitfire haalde een Messerschmitt neer en vloog daarna een ererondje over de stad.
10 Juli 1940
Toen ik op wacht stond, vielen Duitse vliegtuigen een olietankschip aan. Ze plaatsten een voltreffer en lieten het brandende achter. Kort daarna hoorde ik nog twee zware explosies. Er werden nog een Grieks en een Chinees schip vernietigd.
11 Juli 1940
We ontvingen het bericht dat onze onderzeeboot Hr. Ms. ‘O-13’ met man en muis was vergaan tijdens een patrouilletocht in het Skagerrak. Het schokte ons diep. ‘Zo iets kan mij ook overkomen’.
Hr. Ms. “O-13” in dienst gesteld 1 oktober 1931. In de meidagen van 1940 lag Hr. Ms. ‘O-13‘ te Den Helder, doch kon op 13 mei naar Engeland uitwijken. De boot keerde op 7 juli van een patrouilletocht op de Noordzee niet terug. Waarschijnlijk is het schip op of omstreeks 13 juni op ongeveer
57.00 N.B. en 03.00 O.L. ( Great Fisher Bank) op een mijn gelopen. De gehele bemanning w.o. commandant Ltz 1 E.H. Vorster, kwam hierbij om het leven.
13 juli 1940
We werden weer overgeplaatst naar de Westernland.
16 Juli 1940
We mochten toch niet op de Westernland blijven tot de Stuyvesant kwam en moesten verhuizen naar de Batavier II, het schip dat ons naar Engeland had gebracht en waarop we drie weken honger hadden geleden. Het gebeurde met veel gemopper.
20 juli 1940
De Stuyvesant voer eindelijk de haven binnen. Het schip had een zware reis gehad. Het had een paar hevige bomaanvallen overleefd. De bommen waren allemaal naast het schip gevallen. Rondom de Stuyvesant waren vier schepen tot zinken gebracht en een begeleidende trawler had vier voltreffers gekregen en was binnen enkele ogenblikken onder de golven verdwenen. Eén van de mariniers, een jongen die met ons door Frankrijk was gevlucht, was overspannen geraakt, over boord gesproken en verdronken, wist lichtmatroos Van Zijl met te vertellen.
25 Juli 1940
Op 25 juli 1940 vertrokken we eindelijk met de Stuyvesant naar zee. We waren gewaarschuwd dat het een gevaarlijke reis zou worden. Er voer Duitse onderzeeboten in de Ierse zee, die zeker op ons zouden loeren. Zestien man van oorspronkelijke bemanning van de Stuyvesant bleven in Falmouth achter. Ze waren de schrik van de vorige reis nog niet te boven en durfden niet mee.
Een deel van de bemanning deed dienst als ‘uitkijk onderzeeboten‘. We waren rond Cape Lands End en koersten de Ierse zee in. We voeren ongeveer met een snelheid van twaalf mijl per uur en bereikten zonde ongelukken ‘Holyhead‘, een haven plaatsje in Noord Wales! Daar gingen voor anker.
De toekomst zag er somber uit. De Engelsen verwachten een Duitse invasie. We zouden dan naar de oostkust gestuurd worden om de Moffen tegen te houden. We werden er speciaal getraind. We kregen weer theorie, roeien, zwemmen, zeilen, lichamelijke oefeningen. Kapitein de Mariniers Lieftinck belastte zich me de training voor het bestrijden van Duitse parachutisten en landingstroepen. Hij gaf ons infanterielessen en schietoefeningen en liet ons lange marsen maken.
We oefenden, oefenden, oefenden maar en de Duitse invasie bleef uit. Langzamerhand begon er in harten een beetje hoop te gloren, dat het over zou gaan en dat we ons niet te weer zouden behoeven te stellen tegen Duitse landingstroepen voor ons, Duitse parachutisten achter ons en Duitse bommenwerpers en jagers boven ons.
Toen opeens konden een vijftiental matrozen zich opgeven voor de opleiding van telegrafist. Ze moesten ervoor naar de Zuidkust en zouden dienst doen op trawlers. Sonke meldde zich ervoor.
Ik werd opgeroepen voor een keuring in de ziekenboeg. Daar hoorde ik, dat het voor de onderzeedienst was. Mijn hart maakte een sprongetje: daar had ik altijd bij gewild en nu werd het me zo maar in de schoot geworpen.
Opgetogen vertelde ik het aan Sonke. Die schrok erg. ‘Bij de onderzeedienst? Daar ga je eerder naar je moer‘ zei hij. Hij was best tevreden met de diens op de trawlers. Dus moesten we afscheid van elkaar
nemen. Ik vond het beroerd. Hij was mijn beste kameraad.
Bij de onderzeedienst
’s Morgens om half acht stonden we met zijn vijftienen gepakt en gezakt klaar om naar Dundee te vertrekken. We gooiden onze plunjezak en kooi ( hangmat) aan boord van een motorsloep en klauterden er toen zelf in. De sloep bracht ons naar Liverpool., vandaar moesten we per trein verder reizen.
We zochten ons een goed plekje en nestelden ons in de coupe’s. Het leek wel vakantie: geen consignes, geen voorschriften wat we moesten doen als er een Duitse aanval kwam. Alles was vredig in het deel van Engeland waar de reis doorheen ging, net zoals het in Holyhead vredig was geweest. De eerste uren keken we door de raampjes. Engeland leek één groot Vondelpark, maar dan heuvelachtig. De koeien, schapen en paarden graasden in de weilanden, de boeren deden rustig hun werk.
Op den duur werden we moe, de reis duurde acht uur. Toen we Edinburgh passeerden waren we helemaal wakker. Het leek ons een stad, waar we best eens wilden passagieren.
In Dundee werden we door iemand van de onderzeedienst van het station gehaald. Hij bracht ons naar de kazerne H.M.S. ‘Ambrose‘ ( het was een verbouwde jamfabriek)
De kazerne zag eruit als andere kazerne’s, er waren slaapzalen, eetzalen, leslokalen, werkplaatsen, opslagplaatsen enzovoort. Toen we ons ingericht hadden, trokken we nog even naar de haven om de onderzeeboten te bekijken. Vol bewondering keek ik naar de onderzeebemanning in hun witte truien, blauwe broeken, laarzen met daar overgeslagen lange witte onderzeebootkousen.
We leerden alles van onderzeeboten wat we moesten weten: hoe het schip in elkaar zat, hoe de apparatuur werkte, hoe alles onderhouden en bediend moest worden, hoe je je moest gedragen aan boord, wat je moest doen bij vijandelijke aanvallen enzovoort. Elke morgen moesten we ook het publicatiebord lezen. Daarop stonden de namen van de schepen die waren vergaan en van de manschappen die waren gesneuveld of vermist. De mededelingen waren altijd vertrouwelijk, want ook in Dundee woonden misschien verraders. Ik werd er altijd koud van, als de namen van de vermiste jongens werden vermeld. Soms waren er bekenden bij.
Het besef , dat de Onderzeedienst rechtstreeks bij de oorlog was betrokken en dat de onderzeeboten in hun eentje vijandelijk gebied introkken, legde toen al een druk op me, hoe geweldig ik het ook vond dat ik erbij hoorde. Na een paar dagen mochten we voor het eerst aan boord gaan van een echte onderzeeboot.
Eind augustus voelde ik me al aardig thuis in Dundee. Er had zich een Nederlandse gemeenschap gevormd, zodat ik me toch niet helemaal in de vreemde voelde.
Intussen ging het werk gewoon door. Er heerste orde en regel in de kazerne en we deden dienst alsof er geen oorlog was. We maakten de onderzeeboten vaarklaar. Er werden een paar maats uit onze groep overgeplaatst naar Hr.Ms. ‘O-21‘ en naar Hr. Ms. ‘O-22‘. Ik benijdde hen hevig, want ik hoorde nog altijd bij de walgroep. De onderzeeboten ‘O-21, ‘O-22’, ‘O-23 en O-24 kwamen klaar.
De ‘O-23‘ ging op patrouille naar de Noorse kust. We leefden allemaal mee en we hoopten dat de boot behouden terug zou komen. Met de oorlog ging het slecht.
Dundee werd een echte oorlogshaven. Het was de thuishaven van Nederlandse onderzeeboten. Die onderzeeboten waren ingedeeld bij het negende submarine flottielje, evenals Britse, Franse, en Poolse. Behalve onze onderzeeboten lagen ook de Nederlandse torpedojagers in Dundee en verder nog de kustvaarders ‘Amstelstroom ‘ en ‘Mulan‘. Deze deden dienst als drijvende magazijnen.
Op 29 augustus vertelde de radio-nieuwslezer, dat de Duitsers voor de tweede keer de haven van Dundee hadden gebombardeerd. Nu lag ik toevallig in dat zelfde Dundee, maar ik had geen luchtalarm gehoord en geen Mof gezien. Toen wist ik ook niet meer wat ik wel of ik niet van de nieuwsberichten moest geloven.
Aan boord van de Hr. Ms. ‘O -22
De onderzeeboot Hr. Ms. O-23 keerde behouden terug van de patrouille langs de Noorse kust terug. De bemanning zag er bleek en moe uit. Het weer was bar slecht geweest en het behoorlijk gespookt op zee. Maar toen de jongens de lucht van de stad roken, fleurden ze wat op. Ze trokken de stad in en gingen een extra deurtje intrappen om de zenuwen los te gooien. De Hr. Ms. O-21 was op patrouille. De oorlogsberichten waren verontrustend en de spanning werd steeds groter.
De Duitsers hadden haven van Dundee ontdekt. Er werd enkele malen luchtalarm gegeven en er vielen vier bommen, die nogal wat schade aanrichten. Eén keer werd er onder het schaften luchtalarm gegeven. Een Duits toestel werd nagezeten door een Spitfire en neergeschoten. Hij kwam met zijn neus in de grond terecht. De Spitfire maakte een ererondje boven de stad. Vijf minuten later het sein ‘alles veilig’.
Zaterdag 14 september 1940
Ik werd 18 jaar. Maar ik vierde mijn verjaardag niet. De toestand was te ernstig. Eén voordeel de achttien slagen met de spekplank, een marinetraditie, bleek mij bespaard.
Zondag 15 september 1940
Ik was naar de St. Mary Church in Dundee geweest, naar de Hollandse dienst. Toen ik in de kazerne terugkeerde, werd mij meegedeeld dat op Hr. Ms. O-22 geplaatst. Ik was sprakeloos. Toch nog een verjaardagscadeau! Eindelijk werd mijn hartewens vervuld! Nu zou ik actief aan de oorlog deelnemen en op patrouille gaan. Die dag droeg ik mijn pet trots achter op mijn hoofd.
Maandag 16 september 1940
Ik ging aan boord van de O-22 en meldde me bij de commandant, de luitenant ter zee Ort. Hij was nogal gespannen en had blijkbaar andere dingen aan zijn hoofd dan een nieuw bemanningslid. Ik moest me maar bij de officier van de wacht melden. De officier zette me meteen aan het schoonmaken van de torpedobuizen. Het deerde me niet, dat ik vies, vet en nat uit de buis kroop. Met bewondering keek ik naar alle leidingen aan boord, naar de meters, machines en motoren. Ik gluurde zelfs even door de periscoop. Dit was nu ‘mijn eerste schip’.
We werden vereerd met een bezoek van Prins Bernhard. Tegen hem was de commandant wèl vriendelijk. De prins ging ook nog naar de kazerne en hield er een toespraak.
Woensdag 25 september 1940
Het was guur weer, er stond een stevige bries en de regen viel met bakken naar beneden. Ik had ‘platvoetdagwacht’ ( van vier tot acht uur s’middags aan boord van de O 22. Ik voelde me zo ziek als een hond. Mijn hoofd deed vreselijk pijn en ik trilde af en toe als een rietje. Maar ik wilde niet opgeven: de O-22 zou de volgende ochtend om acht uur uitvaren en ik wilde mijn eerste patrouille niet missen.
Eindelijk liep het tegen achten. Ik sjorde voor het laatst de valreep vast. Toen werd ik afgelost.
Ik ging naar de kazerne en kroop al vroeg in mijn hangmat. Ik voelde me nog zieker dan ‘s morgens. Ik kon bijna niet meer op mijn benen staan. Mijn keel zat vrijwel dicht, ik kon nauwelijks meer praten. Om half vier ’s morgens moest ik opstaan voor de volgende ronde wachtlopen. Ik wankelde op mijn benen en had het gevoel alsof ik in elkaar zou zakken. ‘Ik kan geen wachtlopen’ fluisterde ik hees. Ga maar gauw weer naar kooi, ik por de reserve wel antwoordde de onderofficier van de wacht.
Om zeven uur ’s morgens kwam de ziekenverpleger naast mijn hangmat staan en vertelde dat ik er niet uit mocht. ‘Je moet onmiddellijk naar het hospitaal!’ zei hij. Eerst werd ik naar de ziekenboeg gebracht, toen op een brancard gelegd en naar het hospitaal vervoerd. In het King’s Cross Hospitaal legde mij apart in een kamertje.
Ik kreeg een rood laken over me heen: teken, dat men mij als een zeer ernstige patiënt beschouwde. Ik had Difteritus. Er heerste reeds enige tijd een epidemie.
Intussen voer de O-22 uit, op patrouille naar de Noorse wateren.
Zuster, O Zuster…
Van de eerste week in het hospitaal herinnerde ik me niet veel. Mijn temperatuur liep op tot boven de eenenveertig graden en ik lag nogal al te ijlen. Soms kwam ik even bij kennis, omdat er iets in mijn bil prikte….
Gedurende de tweede week fleurde ik wat op. De koorts zakte en ik kreeg weer belangstelling voor mijn omgeving. De twee zusters die aan mijn bed hadden zitten praten, heten zuster Nessy en zuster Daffy.
Mijn laatste week in het Hospitaal verliep niet zo rustig. Er werd in twee dagen tijds zeven keer luchtalarm gegeven. We mochten al uit en we hielpen de zusters van de kinderafdeling om de bedden van de ramen vandaan achter de stenen tussendam te schuiven. Daar lagen de kinderen veilig voor glasscherven. Gelukkig gebeurde er nooit iets.
Ten langen leste moesten we naar de kazerne terug. Arie Dissel en ik besloten om de verpleegster te verrassen. We hadden ze een gezellige avond beloofd, omdat ze zo goed voor ons hadden gezorgd. We liepen allebei nog op ons gammele benen, maar toch trokken we de stad in om bloemen en gebak te kopen. ’s Avonds slopen we door de achterdeur het hospitaal binnen en gingen naar de keuken. We wisten dat Irene, Nessy en Daffy dienst hadden. Ze schrokken zich een ongeluk en dachten dat we inbrekers waren. Ik zei: ‘We komen onze belofte inlossen, we hebben jullie een gezellige avond beloofd.
Ik kreeg nog een week ziekte verlof, voordat ik weer aan het werk moest.
De dans ontsprongen
Toen ik terugkwam en me meldde, hoorde ik dat ik een week licht dienst kreeg, daarna ging ik naar het publicatiebord. De rij van gesneuvelde was een eind langer geworden. Met een schok las ik Sonke’s naam. Zijn Trawler en nog twee andere waren tegelijk door Duitse bommenwerpers aangevallen en de grond ingeboord. Niemand was gered. Er waren vijftien jongens van mijn opleiding bij: vijftien van de vijftig man met wie ik in Vlissingen was begonnen. ‘Ga jij maar naar de onderzeedienst, dan ben je eerder naar je moer’, had Cornelis Sonke destijds gezegd. En nu was hij er zelf niet meer.
De Jean Frederic escorteerde op 1 mei 1941 een konvooi van Falmouth naar Dartmouth toen het werd aangevallen door Duitse vliegtuigen. Door de aanval werd de Jean Frederic tot zinken gebracht waarbij 25 van de opvarenden het leven verloren.
De volgende morgen ging ik weer aan het werk. Het viel me zwaar tegen.. Ik was nog zo slap als een vaatdoek en bij elke inspanning gutste het zweet me van het voorhoofd. Maar ik wilde niet opgeven, het werk moest door gaan.
De onderzeedienst was onderbemand en met de oorlog ging het slecht. Ik liet niemand merken hoe beroerd ik me voelde. Een matroos van de Koninklijke Marine zeurde niet. Punt uit!.
Toen ik in de verblijfzaal van de kazerne een beetje zat bij te komen. kwam onze kwartiermeester Koos Kolderhof op me af.
Hij ze: ‘Claes gefeliciteerd!’
Waarmee? vroeg ik verbaasd.
‘De O-22 is naar zijn moer!’ antwoordde hij botweg, maar zijn stem klonk schor.
Ik keek hem met open mond aan en werd vuurrood. Ik kon geen woord uitbrengen.
Ik zag opeens niemand meer van de jongens die in de zaal waren.
De O-22 de boot waarop ik had moeten zitten. en Koos Kolderhof ook. Wij waren beide uitgevallen
‘Het kan niet. Het bestaat niet’, fluisterde ik eindelijk.
Maar het was wel zo. De boot was op 5 november uitgevaren voor zijn tweede reis. De Duitsers meldden dat ze op 8 november voor de kust van Noorwegen, tussen Lister en Lindesness, een onderzeeboot tot zinken gebracht. Sindsdien was er niets meer van de meer van de O-22 vernomen.
Op 5 november 1940 is het schip voor een oorlogsopdracht naar zee vertrokken. Daar niets meer werd vernomen sedert 19 november als verloren beschouwd. De bemanning bestond uit 43 Nederlandse en 3 Britse marinemensen, die aldus het hoogste offer aan het Vaderland brachten. Dat vaderland zal later erkennen, dat onze kameraden van de Koninklijke Marine hun offer brachten, opdat het nieuwe opgroeiende geslacht Nederlanders in vrijheid zal mogen leven. Door de lange jaren, waar ons land voor de gesel van de oorlog gespaard bleef, was die vrijheid in onze jeugd als het ware geworden tot een soort geboorterecht, verkregen door de offers onze voorvaderen.
De namen van de opvarende van de O-22 zullen in onze gedachten met ere worden genoemd.
Ik kon het allemaal nauwelijks verwerken. Aartsen, Van Dongen en Huet, jongens van mijn opleiding waren er aan boord geweest. Ik had met hen gepraat en lol getrapt. We waren samen door Frankrijk gevlucht, hadden samen honger geleden, nu waren ze dood, net als Sonke. En ik leefde nog. Ik was ‘gesloft’ zoals men onverschillig in de kazerne opmerkte, omdat ik ziek geworden was, zo ziek dat ik er bijna aan dood gegaan was.
30 november 1940
Uit Genéve kreeg ik een Rode-Kruis formulier. Het was getypt in het Frans. Er stond het adres van mijn vader op. Hij had inlichtingen over me gevraagd. Het formulier was op juli verzonden! Dus leefden mijn vader en moeder nog. Ik mocht aan de achterkant antwoorden.
Ten lange leste schreef ik: ‘Beste ouders. Alles wel. Vraag inlichtingen omtrent u beide . Hopende elkaar weer te zien. God behoede u. Gezegende nieuwjaar. Groet Wijnand‘. Ik vroeg zelf Rode -Kruisformulieren aan.
Ik hoefde gelukkig niet lang op een oproep te wachten. Op 12 januari moest ik me melden bij de commandant van Hr. Ms. O-21. Ik was minder enthousiast dan de vorige keer. Zou deze Ouwe net zo weinig aandacht schenken aan een nieuwe bemanningslid als die van de O-22 .
Het viel erg mee. Commandant Van Dulm was een sympathieke man die me heel hartelijk ontving. Hij stelde me meteen op mijn gemak. Al gauw raakte we aan de praat. Ik vertelde hem over mijn ouders, mijn opleiding in Vlissingen, hoe ik in Engeland was gekomen, wat ik allemaal beleefd had. Hij kwam zelf ook uit Amsterdam en we haalden herinneringen aan geliefde Mokum op. ‘Je zult je hier wel op je gemak voelen, er zijn wat Mokummers aan boord’ zei hij. Daarna verteld hij me, wat mijn werk zou zijn, hoe het aan boord toeging en dat hij van zijn bemanning een volledige inzet verwachtte.
Opgelucht en monter ging ik me melden bij de officier van de wacht. Ik trof verscheidene bekenden aan boord: Koos Kolhof, die net als ik aan de O-22 was ontsnapt. Kees van Toor, een boom van een vent. Verder waren er in ieder geval nog twee Amsterdammers: de telegrafist Tom -hij had een vrouw en kinderen in Amsterdam– en de machinist Van Laar: hij was getrouwd en bijna in tien jaar thuis geweest, had in de Oost gezeten en net toen hij terug zou keren, brak de oorlog uit.
Mijn eerste Patrouille Januari 1941
Om één uur ’s nachts werd we gepord. Slaapdronken kwam ik mijn kooi uit. Ik had gevoel of ik er nog maar net in lag. Ik stopte eerst mijn hoofd maar eens onder de kraan om wakker te worden. Toen drong het pas tot me door, dat de O-21 binnen vier uur klaar moest zijn voor vertrek.. Ik pakte mijn vaarplunje en de spullen die ik voor mezelf gekocht had en haastte me met de overige bemanning naar onze boot. We dachten, dat we moesten uitvaren, omdat er een Duits convooi was waargenomen: ook de luchtmacht was gewaarschuwd!
Er stond een windkracht zes en op de Tay slingerde de boot al aardig.
Toen we Bell Rock waren gepasseerd, voeren we op zee. Eerst koersten we nog door een ‘geveegd kanaal, een strook zee die vrijgemaakt was van mijnen. Daarna gingen we enige tijd ‘elektrisch’ verder omdat er mijnenvelden waren. Toen werden de dieselmotoren aangezet. Mijn eerste patrouille was begonnen.
Eindelijk was de nacht voorbij en werd het sein ‘klaar voor onderwater’ gegeven. Daarna volgden de drie stoten op claxon. Ik had geleerd dat volgens de vaste regels voor onder-watergaan.
Gespannen wachtte ik op de derde staat van de claxon. Die volgde heel snel. Nu gingen we onder water! Voor mij was dit de eerste keer. Het werd stil aan boord. De dieselmotoren bromden niet meer. nog even hoorde ik het water tegen de bovenbouw klotsen. Toen werd alles rustig. Ik merkte niets meer van de hoge golven en de zware deining. Het leek alsof ik vaste grond onder de voeten had.
We voeren met ‘geruisloze vaart’ . Dat betekende dat er aan boord niet gevijld, geboord of gehamerd mocht worden, tenzij daarvoor speciale toestemming van de officier van de wacht was verkregen.
Wie ‘van voor naar achter‘ of andersom door de boot wilde lopen, moest in de centrale waarschuwen: ‘een voor naar achter!’ wanneer er een paar mensen tegelijk ‘van voor naar achter’ liepen, zou de boot gaan hellen. de duikroergangers moesten de helling dan opvangen. Bij te veel helling zou water van de ene hellingtank naar de andere gepompt moeten worden en het geluid van de pomp zou door vijandelijke schepen via hun geluidspelers kunnen worden opgevangen. Ik vond het allemaal even boeiend.
Om twaalf uur ’s nachts was mijn beurt om de wacht over te nemen. Ik had deze keer uitkijk aan dek. Diep weggedoken in mijn oliegoed en verkleumd tot op mijn gebeente, stond ik naast de periscoopbun. De wind wakkerde nog steeds aan. De golven waren soms vijftien meter hoog. Ze sloegen over de kuip. Soms werden mijn voeten opgetild, dan omklemde ik angstig met beide armen de ‘goal’-paal waarover het mijnentuig liep. Eindelijk werd ik afgelost.
Gelukkig was het tijd om onder water te gaan. We maakten alles vliegensvlug klaar. Binnen een kwartier waren we onder water. De boot lag weer rustig. Ik dook met drie tuien, twee paar wollen sokken, een dubbel stel onderkleren aan, twee dassen om, een bivakmuts op en handschoenen aan mijn kooi in en trok mijn twee wollen dekens over me heen. mijn eerst dag op patrouille zat erop.
Op 6 februari gaf de Ouwe opdracht om de thuisreis te aanvaarden. de wind was toen afgenomen tot windkracht vijf á vier. Zware deining bleef aanhouden en mijn zeeziekte ook. Al kruisend, speurend naar vijanden, bereikte we een paar dagen later de Schotse kust. Ik voelde me opgelucht, al was het sneu, dat we geen enkele torpedo hadden afgevuurd.
We zaten midden in een magnetisch-mijnenveld voor de kust en voeren electrisch, toen we vliegtuigen signaleerden. We konden niet zien of het een vriend of vijand was., de vliegtuigbemanning zou het aan ons schip ook niet kunnen zien. Daarom doken we snel onder water, waar we slechts negenenveertig seconden voor nodig hadden.
‘Voor en achter’ hoorde ik de schipper schreeuwen. De trossen werden uitgeworpen. De walploeg maakte ze vast. We lagen afgemeerd langs de ‘King George V’- werf in Dundee en we waren weer thuis.

Naar Gibraltar
Zondagmiddag 24 februari 1941
‘Los voor en achter’ schreeuwde de officier van de wacht.
Ik stond aan dek van de O-21. De trossen werden voor lange tijd weer in de trossenbergplaats opgeschoten. de havenroerganger manoeuvreerde de boot de haven uit en de rivier Tay op.
Ik wuifde naar enkele mensen op de kade. ‘Tot ziens! Ik had het gevoel dat het voor lang zou zijn en wij daadwerkelijk iets groots gingen ondernemen. De Mof aanvallen.
Naast ons, als een zwarte schim. een soort walvis, voer Hr. Ms. O-23. Ze ging net als de O-21 naar Gibraltar. We zouden er tenminste met elkaar een flink bruggehoofd van Hollandse Marine vormen.

Voor ons uit stoomde dapper ons Engelse escorteschip ‘White Bear’ was maar een kleine boot.
De Engelsen hadden de White Bear uitgerust met zoekapparaten voor onderzeeboten, kanonnen en dieptebommen. ze hadden er al enkele Duitse vliegtuigen mee uit de lucht geplukt en een Duitse onderzeeboot mee de grond ingeboord.
De ‘White Bear’ voer maar mee tot de Ierse zee. Daar werd ze vervangen door te Franse escorteschip
‘La Moqueuse’ ( De Spotvogel) het schip was een lachertje ( moquer betekend uitlachen)
De commandant Van Dulm had het een poosje zien varen, bromde hij een schip van lik me vestje.
Ondanks het slechte weer meerden we op 26 februari al langszij de Stuyvesant. Ze lag nog steeds in de haven van Holyhead. Natuurlijk ging ik een kijkje aan boord nemen. Van de jongens kende ik niemand. Onze oude groep had zich verspreid over heel Engeland. Daar was Sonke’s kooi geweest en hier van mij!
Hij was dood en ik leefde nog.
‘Commandant op de brug! praaide de officier van de wacht naar beneden. Een paar maats die geen dienst hadden, klommen eveneens naar boven. De kuip was vol. We passeerden onze eigen Nederlandse Hr. Ms. O-10 de oudste onderzeeboot van onze vloot. Trots groetten de schepen elkaar met de nationale vlag.
We kregen een Brits koopvaardijschip in zicht, ongeveer drie kilometer van ons vandaan.
‘Deksels, dat is linke soep’, bromde de Ouwe. Hij keek wat ongerust naar ons escorteschip. Het voer een heel eind achter ons. Hoe moesten we die Engelsman nu waarschuwen dat wij vrienden waren en geen vijanden. ‘Misschien heeft hij ons nog niet gezien’, zei officier Kroesen optimistisch.
Maar dat was wel het geval. Die kapitein zag ons inderdaad voor een Duitse onderzeeboot aan.
Prompt begon de bemanning op ons te schieten.
Er waren geoefende kanonniers aan boord, de granaten plonsden vlakbij onze schuit in het water. We keken elkaar aan. De commandant gaf bevel om de waterdichte deuren te sluiten. Het was het enige dat hij kon doen, want La Moqueuse viel geen hulp te verwachten.
De commandant van de O-23 kreeg in de gaten, wat er aan de hand was. Hij liet zijn schip onmiddellijk onder water verdwijnen.
Nu waren wij het enige mikpunt. Commandant Van Dulm gaf het bevel ‘klaar voor onder water’!
Nog nooit waren we zo gauw ondergedoken.
Opeens schreeuwde officier Kroesen naar de Ouwe in de centrale: ‘Die idioten’, op La Moqueuse koersen op ons af en gaan dieptebommen lanceren!’ De Ouwe bulderde: Blaas de hoofdtanks en ga als de bliksem boven water’. Maar het was te laat. De eerste dieptebom spatte al met donderend lawaai uiteen. Na de eerste volgde een tweede, toen nog een derde!’ Het leek alsof de hel was losgebarsten.
“We zijn geraakt” Er moet een gat in de boot zijn geslagen! Waar komt anders dat licht vandaan?’ Een ander antwoorde laconiek: ‘Welnee man’, dan hadden we allang een natte broek gekregen’. Er stroomde inderdaad geen water naar binnen.|
Geen Paniek er is al een rookbom afgevuurd
Op La Moqueuse hadden ze blijkbaar aan de kleur van de rook gezien dat ze de kleur van de rook gezien dat ze op vrienden jacht maakten.
Onze boot kwam boven water. De Ouwe vloog witheet van woede de toren in. Hij opende het luik en klom aan dek, op zoek naar onze escorteur. Van de O-23 was geen spoor te bekennen, de commandant daar vertrouwde de zaak nog niet.
Het bleek dat de wacht op de La Moqueuse niet goed uit zijn ogen had gekeken en onze periscoop voor die van een Duitse onderzeeboot had aangezien. Maar nu was hij dan eindelijk wakker geworden. En dat was maar goed ook, want de Britse koopvaarder had al alarm geslagen en telegrafisch omgeroepen, dat twee vijandelijke onderzeeboten aanviel.. We konden dus ook nog Engelse vliegtuigen verwachten.
La Moqueuse maakte het bericht gauw ongedaan en bood ons duizend excuses aan. De commandant accepteerde ze grimmig. Voor hem had La Moqueuse het voorgoed verspeel.
‘Ze moesten die lui eens kopje onderduwen in hun eigen wijnvaten’ mopperde één van ons nog na.
Intussen voer de O-21 verder. De O-23 was ook weer opgedoken en voer naast haar.
La Moqueuse kon ons steeds moelijker bijhouden. Nog voordat we allemaal ons eigen blikje drinken hadden, gaf ze het op en keerde terug.
De Ouwe was er blij om. Beter geen escorteur dan dan zo’n halfbakken. Hij commandeerde prompt ‘klaar voor onderwater’
De Ouwe vertelde ons, dat we zo maar naar Gibraltar zouden varen; we moesten een convooi begeleiden. De Ouwe tuurde naar door zijn verrekijker. De officier van de wacht stond naast hem en tuurde door de zijne. Het wás ons convooi, de Rochester voer erbij en ook ons Frans corvet La Malouine
Intussen was het 5 maart 1941 geworden.

Het Franse Corvet voer telkens om het convooi heen en hield het bijeen als een herdershond zijn kudde. De koopvaardijschepen waren allemaal uitgerust met een Ballon hij dreef boven het schip en moest vijandelijke vliegtuigen afweren.
We hielden eerst poosje onze positie. Toen moesten we de O-21 en de O-23, voorafgegaan door het Franse corvet een keer dwars door het convooi heenvaren, zodat iedereen ons kon bekijken en we niet door onze eigen vrienden zouden zouden worden beschoten en gebombardeerd.
Op 14 maart bereikten we Gibraltar. Het convooi moest nog verder. Wij voeren langzaam de haven binnen. De zee ruiste zacht. In de verte passeerde een groot Brits slagschip. We meerden af in het eerste dok, langszij de Britse onderzeeboot ‘Olympus’. Alles zag er heel anders uit dan in Dundee.
14 maart 1941 Gibraltar
Lees het opde volgend episode 3



















