43 (4) De succesvolle Onderzeeboot O-21 in de 2e wereldoorlog 1940-1945

5 December 1941

Terug naar Schotland
Deze keer bleven we maar een week in Gibraltar De facteur had een pakje voor me
Het kwam van een Javaans kind: het had het via een comité in Nederlands – Indië naar Londen gestuurd. Er zaten een tekening, een stuk scheerzeep, een zakdoek, en een paar pakjes sigaretten in. Het was een hele verrassing. Ik schreef meteen een bedankbriefje terug. Ik had graag een cadeautje gestuurd, maar ik was bang dat het niet over zou komen.

We verlieten de haven van Gibraltar, geëscorteerd door een Britse torpedobootjager, terwijl de nodige vliegboten boven ons cirkelden.
We hadden gasten aan boord: Nederlanders die hadden weten te ontsnappen aan de Duitsers en die nu naar Engeland gingen.


Onder hen was Luitenant ter zee E. H. Larive. Hij was op 15 juli 1940 uit het Duitse militaire gevangenkamp Colditz gevlucht en had via Zwitserland en Spanje Gibraltar weten te bereiken.
Bij Kaap Vincent moesten we nog een dag op een anti-onderzeebootpatrouille.

Etiéne Henry Larive

15 december
We meerden af bij het plaatsje Arrochar, aan de westkust van Schotland. Onze zeven Engelandvaarders gingen van boord. Wij moesten blijven. De Engelsen hadden op de Atlantische Oceaan een Duits voorraadschip overmeesterd en een voorraad Duitse torpedo’s buitgemaakt ter waarde van ruim anderhalf miljoen gulden. Die torpedo’s paste niet in hun afvuursysteem, maar wel in het onze. Dus moesten we ze uitproberen.

Op 30 december 1941 voeren we de haven van Dundee binnen. Zowel onze bloedvlag als de blauwe wimpel wapperden in top.
Er wachtte ons een nieuwe teleurstelling: we mochten niets eens van boord en werden meteen doorgestuurd naar de Britse Marinehaven Rosyth aan de Clyde. De O-21 moest in reparatie.
De hele nacht bleven we voorde grote Firth of Forth Bridge voor anker liggen.
Op 31 december liepen we Rosyth binnen.
Onze Ouwe wist gedaan te krijgen., dat de bemanning van het Britse wachtschip in Rosyth een paar dagen onze O-21 onder zijn hoede zou nemen.

Maandag 12 januari 1942

‘Nairn Lodge’ Falkirk


De O-21 werd van Rosyth naar een particuliere werf in Grangemouth gesleept. Onze bemanning werd ondergebracht in Falkirk een oersaai plaatsje. Maar ik bofte. Onze officieren hadden een soort slot gehuurd. Het heette ‘Nairn Lodge’ en lag vlakbij Edinburgh. Ze hadden vijf man nodig voor hun onderhoud. Eerst beviel me het niet maar toen we ons eenmaal geïnstalleerd hadden, bleek het reusachtig mee te vallen.

Af en toe ging ik naar de werf in Grangemouth. De O.21 werd grondig onder handen genomen en was nog lang niet klaar. De dokwerkers klaagden steen en been, omdat de boot van zulk hard metaal gemaakt, dat de boren erop braken. Bij de Engelse onderzeeërs vlogen de boren er doorheen.
De Ouwe bromde ongeduldig; hij wilde graag het zeegat uit. Maar hij moest geduld oefenen.

Arie Breepoel

14 februari 9142
Op een dag gebeurde er iets verschrikkelijks. Arie Breepoel -verongelukte- was in Falkirk gelegerd. Op een avond wandelde hij langs de kant van de weg en werd plotseling door een autobus gegrepen. Hij was niet op slag dood, maar overleed een paar uur later aan zijn verwondingen.
Ik stond perplex, toen ik het hoorde. In Gibraltar ging ik altijd met hem passagieren. Hij behoorde tot mijn beste vrienden. En nu zou ik hem nooit meer zien. We zouden nooit meer samen met de pet op ons hoofd, door de straten zwerven en moppen tappen. Hij had alle gevaren op zijn naar Engeland doorstaan, hij had alle dieptebom-aanvallen in de Middellandse Zee overleefd, en nu stierf hij door zo’n ongeluk.

Op de dag van de begrafenis werd heel de bemanning naar Falkirk geroepen. Daar begroeven we hem met Militaire Eer. Ik mocht met vijf anderen, de kist naar het graf dragen. Op die kist lag zijn matrozenmuts. Stram in de houding, met bleke gezichten en opeengeklemde kaken luisterden we naar de saluutschoten.

Saluutschoten bij het graf van A. Breepoel
A.Breepoel met Militaire bergaven

‘Vaarwel Arie, jij zult het vaderland niet meer terugzien. Jouw ouders wachten tevergeefs op je!’
dacht ik machteloos.
( Alphons Breepoel werd begraven op het Nederlands Ereveld Mill Hil in Londen)

26 maart 1942
Ik zat met nog een paar maten in de trein van Edinburgh naar Londen. Alle bemanningsleden van de drie Nederlandse onderzeeboten, de O-21, O-22 en de O-23 kregen een onderscheiding. Ik wist het al een poosje. Onze oudste officier had ons, toen we op een middag aan het voetballen waren binnengeroepen en ons het nieuws verteld.

De stemming bij mijn maats zat er goed in. Ze tapten moppen over de meisjes in militair die op de perrons stonden te wachten, neurieden soldaten liedjes en lachte veel.
Ik probeerde mee te doen, maar het ging niet van harten. Ik miste Arie Breepoel. Anders was hij er altijd bij geweest. Als één het bronzen kruis verdiend had, was hij het. Hij kreeg het nu ook wel, maar postuum.

In Londen werden we ontvangen in een grote zaal.
Vice-Admiraal Helfrich las de mutatie voor, waarvoor de onderscheidingen was toegekend. Daarna vervolgde de koningin:
‘Alvorens tot de uitreiking der onderscheidingen over te gaan, is het mij een behoefte om te zeggen, dat ik met grote belangstelling en evenzo met grote waardering heb kennisgenomen van de verrichtingen van een drietal onzer onderzeeboten in de Middellandse Zee.

Bronzen kruis

Over de bemanning van deze boten heb ik steeds met lof horen spreken: en men hoeft slechts op de behaalde successen te wijzen, om te beseffen dat gij tezamen met uw scheepsmakkers, in hoge mate aan deze eis en aan deze gedachte van ’teamwork’ hebt voldaan.
Rustig maar op kordate wijze zijt uw werk op de uw aangewezen post blijven verrichten, op ogenblikken, dat u bekend was, dat vijandelijke schepen nabij waren, maar waarop u verder geheel onkundig waart van al het gebeuren om u heen.

Deze eer, die u te beurt valt, legt tegenover de anderen de verplichting op, ook in den vervolge u deze onderscheiding te blijven waardig tonen, opdat van uw goede voorbeeld de bezieling uit moge gaan die nodig is voor het werk onder zulke moeilijke omstandigheden. Maar naast de verplichtingen, die zij u oplegt, zal dir Ereteken u, eenmaal teruggekeerd bij u allen die u lief zijn, het bewijs zijn van uw aandeel in de strijd voor de bevrijding steeds voor ogen, moeten wij allen de strijd onafgebroken en onversaagd volhouden.
Ondanks de tegenslagen vecht de Marine door.

Na afloop van de plechtigheid werd een borrel geschonken. De Ouwe kwam, met zijn glas in de hand, even bij me staan.
‘En Claes tevreden?‘ vroeg hij.
Ik knikte wat mat.
‘Je kijkt niet blij’ zei hij.
‘Ik moet almaar aan Arie denken’ bekende ik.
‘Aan Arie Breepoel?‘ vroeg hij.
Hij zweeg even. ‘Beroerd geval‘, bromde hij.

Ik knikte en liep naar een paar collega’s, die nogal verontwaardigd keken.
‘Is er wat?’ vroeg ik.
‘Zie je dat kopstuk daar? die met al die gouden galons op zijn uniform? vroeg één van hen
‘Ja’ beaamde ik . Eén van de fraai versierde dekzwabbers!’
‘Die vroeg ons nota bene of er nog Nederlandse onderzeeboten in de Middellandse Zee verloren waren gegaan’! Dat had toch zo’n vent van de marinestaf moeten weten? Of zou het hem niet interesseren?’

‘Het enige wat die van de oorlog heeft gezien is het hoofdkwartier en de ondergrondse schuilkelder.’
‘Je zult zien, dat zo iemand de overleefd en dan nog ridder wordt ook’.

Voorbereidselen voor een grote reis

We logeerden in het speciaal voor Nederlandse militairen besproken Mac Hardy’s Guesthouse Alles was nog zoals de eerste keer dat ik er logeerde. Het leek alsof de oorlog hier niet was doorgedrongen. De vier zusters zwaaiden er onbekommerd haar scepter. Die meiden doen hun best voor ons’ riep Klaas de Boer vrolijk. Ze hadden een hart van goud.
Toch was er steeds weer een domper op ons verblijf.

De lijst van foto’s van marinemensen werd steeds langer. Steeds weer zag ik mijn vriend Bol voor mij zitten. Ook hij stond er nu op. Geen wonder haast. Hij schold altijd op de oude wrakke vliegtuigen waarmee ze naar de kust van Noorwegen werden gezonden op verkenning. De meeste gesneuvelden op de lijst waren mensen van de Marine-Luchtvaartdienst.
De eerste keer dat ik heir logeerde, was in november 1940 geweest. Ik had toen ziekte verlof. In die maand werd de O-22 vernietigd, de boot waarop ik had moeten zitten als ik niet ziek geworden was.
‘Nooit ziek’ , dacht ik nog, ‘juist toen wel!’ Het liet me niet los.


Toen ik terugkeerde naar Nairn Lodge, kreeg ik te horen dat een paar bemanningsleden en ik een opleiding moesten volgen voor ‘onderzeebootverkenner’ of ( op zijn Engels) ‘Asdicoperator’
Dat betenkende dat onze boot met een modern asdic-apparaat ( Asdic-sonar) werd uitgerust. Dat was goed nieuws!.

De cursus werd gegeven Portsmouth, Pompy noemden we die stad bij de Marine. We reisden er per trein heen, via Londen. We werden gelegerd in de grote, vaak doodstille marine-kazerne Gosport.
De opleiding liep naar wens. We waren ’s zaterdags vrij. Dan zwierven we door Portsmouth. Twee keer reisden we met de trein naar Londen. Ik keek mijn ogen uit. Het centrum vond ik prachtig, al zag je overal bomkraters en puinhopen Pas hier realiseerde ik me, wat de Duitsers in hun slag om Engeland hadden aangericht. De buitenwijken waren een verschrikking: de mensen woonden er als ratten in de krotten en het stonk er naar armoe.

Na die cursus leek de tijd om te vliegen. Elke keer dat we naar Grangemouth reisden, zagen we, dat het werk aan de O-21 flink opschoot: de boot was bijna klaar.
Het was nu zeker, dat we naar het Verre Oosten gingen. We kregen twee injecties tegen alle mogelijke ziekten. Verscheidene maats waren er ziek van, maar ik kreeg er alleen een stijve arm van. De derde en laatste injectie kregen we aan boord van de O-21 zelf. Toen werd ons een tropenuniform uitgereikt. Nu hadden we zekerheid.

24 juli 1942
We installeerden ons weer op de O-21. Van Grangemouth voeren we eerst naar de marinewerf Rosyth en vandaar naar Leith, een klein, vrij belangrijk plaatsje bij Edinburgh. Hier kwamen de nieuwe bemanningsleden aan boord. Enkele jongens van onze bemanning werden overgeplaatste en
Arie Breepoel leefde niet meer. Ik moest aan hem denken, toen ik de nieuwelingen zag. Hier aan boord miste ik hem weer.

29 juli 1942
De facteur bracht een Rode-Kruisformulier van mijn ouders. ‘Nog juist voor mijn vertrek’, dacht ik dankbaar, terwijl ik het voorzichtig opensneed. ‘Lieve Wijnand. Allen gezond. Groet oom Bernhard. Hartelijk gefeliciteerd met je verjaardag. God schenke je nog vele jaren en behouden thuiskomst. Tuin mooi, Ouders.’
Vooral dat ‘Tuin mooi’ deed me goed. Het betekende dat mijn ouders verzoend waren met het idee dat ik in Engeland zat en wel begrepen hadden dat ik bij de onderzeedienst was. De vele telegrammen hadden dat nu we; duidelijk gemaakt.

Prins Bernard aan boord

Inmiddels bralde Radio Oranje door. Ze hadden het druk om tot verzet op te roepen achter hun radio en lieten van tijd tot tijd de stem van de Zeehond ( Gebrandy) door de ether klinken. Gerbrandy was er ook nog. Het heeft mij altijd verbaasd, dat ik hem of andere regeringslieden nooit bij ons bij de Onderzeedienst of onze welbekende O-21 hebben gezien, terwijl Prins Bernard letterlijk overal was.

‘Wat loop jij te piekeren’, hoorde ik plotseling roepen. Bijna botste ik tegen Luitenant ter zee
Van de Land op.
‘Sorry meneer’, zei ik.
Hij wist dat we zouden vertrekken. ‘Kop op, Claes’, zei hij. ‘Over een paar jaar zie ik je weer terug.
‘Fantastische kerel’, dacht ik en liep verder en dook de kantine in. ‘Een borrel zal me goed doen’.

‘Vaarwel Bonnie Schotland en Bonnie Dundee’, zei ik zacht

‘Vaarwel’, Irene’ , zei ik hees.
‘Dag Wijnand. Goede vaart en kom veilig terug!’ fluisterde ze. Ze draaide zich om en liep het hospitaal binnen. Het laatste wat ik van haar zag was haar blonde haar en lichtbeige mantel in de donkere deuropening.
Wijnand Claes had een verhouding met een verpleegster in het ziekenhuis Kings Cross Hospital waar hij werd verzorgd in Dundee. Wijnand Claes heeft speciaal afscheid genomen van Irene zijn vertrouwelinge en persoonlijke verzorgster.

Ik zuchtte diep, keerde me om en schoof mijn pet achter op mijn hoofd. Met vlugge passen keerde ik terug naar de kazerne.
Die nacht deed ik geen oog dicht en het was een verlossing, toen het weer ‘overal’ (opstaan) was. Ik dook in mijn vaarplunje en ging snel aan de ‘bak‘ (ontbijttafel). Daarna keerden we terug naar de O-21. Het was ‘voor en achter’ , wij waren weer los en draaiden de rivier de Tay op. langzaam verdween Dundee achter ons. |


We werden begeleid door de oude mijnenveger ‘Jan van Gelder’. Hij had nog meer last van de storm dan wij. Tenslotte liepen we Scape Flow binnen. Het was een enorme baai, die vol lag met oorlogsschepen. ‘In die baai heeft de Duitse kapitein Prien een groot Engels slagschip tot zinken gebracht. Hij wist met zijn boot door de mijnvelden te komen’. bromde Koos Koldenhof.
‘Ze hadden het kreng gelijk moeten pakken!’ mompelde hij verder.

Over het slagschip Royal Oak
15 oktober 1939 te Scapa Flow werd door een Duitse U-boot 47 met aan boord kapitein Prien het Slagschip Royal Oak getorpedeerd.

Onderzeeboten langszij het moederschip “The Forth’

We lagen een paar dagen in Scapa Flow te schudden in de golven. Daarna gingen we op weg naar de Holy Loch aan de westkust van Schotland. Tijdens de tocht bleven we de O-21 uitproberen. De zee was nog altijd onstuimig. In de Holy Loch meerden we af langszij het onderzeebootmoederschip ‘The Forth’ in de haven van het vissersplaatsje Dunoon.

Er lagen nog negen onderzeeboten in Holy Loch. Ze moesten allemaal naar het Verre Oosten. We bleven tot 12 augustus. we deden voortdurend proeven met onze nieuwe installatie. We leerden schieten met onze nieuwe Oerlikon mitrailleur. Een Engelse officier maakte alle oefeningen mee.

Onze Engelse versierde dekzwabber, een zeer symphatieke overste van de Royal Navy, was nog nooit op een onderzeeboot geweest, althans had nog nooit met een onderzeeboot gevaren en vond het allemaal maar niets.
We bereidden hem erop voor, dat er een geweldige explosie zou komen, maar dat die geen kwaad kon.
Hij moest dus niet schrikken. Even later kwam de waarschuwing, dat de bom ‘nu’ gegooid kon worden.
De Engelse officier stond naast mij aan de periscoop in de commandotoren.
Zijn handen trilden, hij werd lijkbleek, hij keek ons vragend aan alsof wij hem kunnen helpen. Het leek wel alsof wij wilde ontsnappen.
We hadden met hem te doen, maar er was wel wat leedvermaak.

‘Queen Mary’

Juist voordat we uit Dunoon zouden vertrekken, kwam de ‘Queen Mary, het eens zo trotse passagiersschip, als troepentransportschip binnenvaren. het schip ging met duizenden militairen aan boord naar Brits-Indië of Birma. In één week waren hiervandaan al 130.000 militairen naar het
Verre Oosten vertrokken

Naar Zuid Afrika
16 augustus 1942

We voeren in de golf van Biskaje. Opeens werd er alarm gegeven: de Ouwe had een Duitse onderzeeboot waargenomen. We doken snel onder water. Een schok ging door ons heen. Dat was vlug!
‘Klaar tot pen uit’ . commandeerde hij.
‘Vuur!’ klonk het later,
Onze tropedo’s schoten op de Duitse U-Boot af. De Ouwe tuurde door de periscoop. Hij barste van woede: twee torpedo’s waren ‘snuivers’ : ze bleven aan de oppervlakte lopen.
De Duitser zag ze, veranderde van koers en ging ervan door.
Ik snap er niks van, We hebben normaal gericht. We hadden hem moeten hebben! ‘ brieste de Ouwe.

Omstreeks 21 september

Alle dagen waren net eender. De Ouwe hield wel een kalender bij, maar wij wisten niet meer welke dag het was We zouden nog één dag varen van Freetown in Siera Leone verwijderd zijn. In de verte naderde een Convooi en stoven op ons af. Ze richten hun boordkanonnen op ons. Een Britse en een Franse torpedobootjager sloten ons in. ‘Zijn ze nu helemaal gek’ Alle schepen hier weten toch dat wij onderweg zijn? ‘brieste de Ouwe‘.
Onze telegrafist begon heftig te seinen.
Een uur later meldde de uitkijk: ‘Twee schepen achter ons aan.
‘We worden achtervolgd!’
Het waren een escortschip en een kanoneerboot van het convooi.
Opnieuw richtte ze hun kanonnen op ons.
Rees, onze Engels telegrafist, seinde driftig dat ze moesten ophouden met het gezeur.
De commandant officier van één der schepen piekerde er niet over. We moesten eerst maar bewijzen dat we tot de geallieerde vloot behoorden. Wat stond er in het codeboek twee, pagina zes, regel acht?
Rees begon haastig te bladeren. Even later seinde hij het keurig netjes over. Nog was men niet tevreden. We moesten nog drie keer zo,n proef afleggen. Toen waren ze eindelijk gerustgesteld.
Kouwe aardappelgedoe’, foeterde de Ouwe.

We gingen met de sloep naar wal. Ik stond nauwelijks op de kade of ik was al omringd door minstens twintig pikzwarte halfnaakte kinderen. Ze schreeuwden van alles door elkaar. Ze wilden souveniers hebben , souveniers verkopen, me de weg wijzen, mijn schoenen poetsen.
Gelukkig schoot een pikzwarte politieagent in een wit tropenuniform en met een tropenhelm op me te hulp en joeg de troep weg.

Toen we weer aan boord kwamen, had de ‘machinekamer’ ontdekt, wat er aan de ene dieselmotor mankeerde. De vulcankoppeling (vloeistofkoppeling) tussen de dieselmotor en de hoofd-electromoter was in elkaar gedraaid. De reparatie kon wel een paar dagen duren.

Ik zat in de kuip met mijn rug tegen een kanon. Boven me schitterden miljarden sterren: ze leken helderder in dichterbij dan in Schotland. En de maan lag als een partje kokosnoot op zijn rug. Dit waren de tropen! Vader, moeder en Irene moesten me hier eens kunnen zitten.

Begin oktober 1942
We bereikten Point Noir in Belgisch Congo. We mochten de wal op. Er viel weinig te beleven, maar er was volop vers fruit te koop. We maakten een rondritje met een vrachtauto door een bos van palmbomen en zwommen in het heldere water van de oceaan.

Toen we in Kaapstad naderden, gierden er opeens een paar granaten over ons heen. Ze moesten afkomstig van de kustwacht, want ze kwamen van de rotsen op de kust. Het leken waarschuwingsschoten.
Rees stormde de trap op naar boven en seinde ‘Niet schieten, wij zijn vrienden!
Er werd nog een paar keer over en weer geseind. We hadden het niet gezien in het licht van de ondergaande zon.
‘Sorry!‘ seinde kustwacht. we mochten doorvaren. Ik had gehoopt dat we in de haven Kaapstad zouden ankeren. We werden echter meteen doorgestuurd naar Simonsstad.

We meerden af in Simonsstad. We werden begroet door verschillende autoriteiten en door de bemanningen van de Nederlandse onderzeebootmijnlegger, de K- XIV en de onderzeeboot O-19.
Ze hadden dienst gedaan in Oost-Indië en waren op weg naar Amerika en Schotland
De O-19 lag speciaal op ons te wachten. Onze vulcankoppeling deed het nog steeds niet. We zouden de vulcankoppeling van de O-19 krijgen, anders moest er een nieuwe uit Engeland komen.

De Hollanders vertelden ons dat de O-23 en de O-24 op weg waren naar Colombo: de 0-23 was via het Suezkanaal gevaren. De drie musketiers zouden dus weer samen opereren, maar nu niet in de Middellandse Zee, maar in de Straat van Malakka.
Of ze er ook weer alle drie uit zouden komen??

In Zuid Afrika

De eerste nacht in Simonstad sliepen we aan boord van de O-21. De technici hadden overdag druk geconfereerd. Ze besproken met eigen personeel onze dieselmotor te repareren. Ze vertrouwde het havenpersoneel niet. Een poosje geleden had men bij twee Engelse onderzeeboten zand in de machines gegooid. Ze hadden geruime tijd niet kunnen varen.
De Ouwe waarschuwde ons, dat de Zuid-Afrikaners anti-Engels waren en dat we voorzichtig moesten zijn..
Ik polste een paar mensen die het konden weten. Een van hen vertelde dat een extreem deel van de jongerenorganisatie ‘Ossewa Brandwag’ alles deed de geallieerde zaak te saboteren en te ondermijnen.
De jongelui konden en wilden de ellende niet vergeten, die de Engelsen de boerenvrouwen en -kinderen in de concentratiekampen hadden aangedaan tijdens de Boerenoorlogen.
‘Maar daarmee treffen ze niet alleen de Engelsen, maar ook de Hollanders en ze zijn nog wel van Hollandse afkomst’ zei ik verontwaardigd.

Wijnand Claes in Marine-Uniform

Zodra ik de kans kreeg, ging ik naar de oude Nederlandse hervormde-kerk in Kaapstad, Er preekte een zekere dominee Van de Merwe. Hij had een stentorstem en preekte Zuid-Afrikaans. Ik kon hem goed verstaan. Mijn Uniform trok veel bekijks. Na de dienst werd ik door tal van gemeenteleden aangesproken. Ze wilde weten waar ik vandaan kwam. Ik ging met een gezin mee naar huis om een kop koffie te drinken. Anderen nodigden me uit voor een picknick, weer andere voor een party. Ik had opeens een heleboel kennissen.
Ze waarschuwden me allemaal dat ik voorzichtig moest zijn in de zwarte wijken en er ’s avond niet in mijn eentje doorheen moest lopen. Ik liep de kans om beroofd te worden of een mes in mijn body te krijgen. Een Nederlandse onderofficier was vorige week mishandeld en beroofd.

Zondag 8 november 1942

Paul Kruger beeld in Pretoria

Ik stapte in Pretoria uit de trein na een reis van twee dagen. Een Hollandse familie stond me op te wachten. Ze waren vrienden van een der opvarenden en hadden me uitgenodigd om mijn verlof bij hen door te brengen. Ze schudden me de hand aan de voet van het standbeeld van Paul Kruger. De medicus en zijn vrouw hadden een verrassing voor me: we zouden naar het Kruger Wildpark gaan.
We vertrokken ’s morgens vroeg. We reden door prachtige vlakten en valleien: ze deden me soms aan Schotland denken. We overnachtten in het Commercial Hotel in Middelburgh.

Pretoriuskop en de Rondavels

In de middag reden we Pretoriuskop binnen. Het was een rustkamp. De gasten werden er ondergebracht in rondavels, een soort ronde hut, die keurig was ingericht. De Kampleider was een oud- Amsterdammer. We laden onze pullen uit, daarna maakten we tochtje door het wildpark. We reden langzaam naar de Sabierivier en zagen allerlei dieren: zebra’s giraffen, springbokken, kleurige vogels. Mijn camera klikte voortdurend. Bij de Sabierivier stapten we uit de auto en wandelden langs de oever. De ‘seekoeien’
( Nijlpaarden) hadden verkoeling gezocht in het water.

De volgende morgen maakten we nog één ritje door het bosveld. Toen moesten we terug naar Pretoria. Op ons gemak reden we de door de Schoemanskloof, stoppend om op mooie en genietend van de prachtige vergezichten. Ik zag een ossewá, getrokken door een achttal ossen, met een oude man op de bok. Langs de wegen liepen Afrikaanse meisjes en vrouwen in kleurige klederdrachten. We waren nog voor het avondeten in Pretoria. De rest van mijn verlof bleef ik bij de logeren. Voor ik het wist, stond ik al weer met onze Hollandse vrienden op het perron, Ik nam hartelijk afscheid, ik wist niet hoe ik voor alles moest bedanken. Ze wuifden alles dank lachend weg.


30 november 2 december 1942
Het zou niet lang meer duren of we konden weer uitvaren. Tom liep met een blij gezicht rond. De facteur was geweest en had hem een Rode-Kruisformulier van zijn vrouw gebracht. Het ging goed met haar en de kinderen. Ook de ‘Ouwe’ lurkte tevreden aan zijn pijp.

Hr. Ms. Isaac Sweers

Donderdag 3 december
De oudste officier van onze Onderzeedienst in Dundee stuurde het bericht. Met groot leedwezen wordt bekend gemaakt, dat Hr. Ms. Isaac Sweers, ingedeeld bij de Britse vloot, welke operaties uitvoerde tegen Frans Noord-Afrika, tijdens deze operaties werd getorpedeerd en verloren ging. Vijfentachtig opvarenden werden gered, waaronder enkele gewonden. Dit bericht is bestemd ter informatie van het Nederlands Marine personeel, doch nog niet door de Britse admiraliteit vrijgegeven, zodat besprekingen aan de wal of met buitenstaanders niet behoort plaatst te hebben. Aldus met nadruk meegedeeld op 3 december 1942,’
‘De Isaac Sweers, dat is het schip van Meep, ons oud-hoofd van de machinekamer‘, merkte matroos van der Zwam meteen op.
‘De heer Ohr is omgekomen. Hoe het gegaan is, zullen we later wel eens horen. het is al op 13 november gebeurd’ vertelde de Ouwe stroef. We waren er allemaal stil van. Weer één die de bevrijding niet zou beleven, Die rotoorlog’

5 december 1942
Er kwam opnieuw bericht van een ramp binnen. Vice-admiraal Termijtelen maakte bekend:
‘De bevelhebber der zeestrijdkrachten brengt met leedwezen ter kennis van het personeel van de Koninklijke Marine, dat de hierna genoemde officieren, onderofficieren en manschappen vermist worden gerapporteerd. Zij maakten deel uit van een militair transport, dat zich aan boord van een Brits schip bevond, dat op weg naar Australië naar het Verenigd Koninkrijk door een vijandelijk onderzeeboot tot zinken gebracht. Commandanten worden verzocht de bemanning van hun onderhebbende bodem geheimhouding op te leggen, daar de familieleden van de betrokkenen nog niet konden worden ingelicht.’
Hierna volgde de namen van de vermisten, Er waren een aantal van onze opleidingen in Vlissingen,ouwe jongens‘ toen ik nog bij de ‘kalen’ behoorde , bij de gesneuvelden.
Het was oorlog en ik wilde vechten! Vreemd dat wij altijd weer dat gevoel hadden. Onze bemanning wilde na de oorlog niet als teruggekeerde ‘still-fighters‘ aangezien worden. We wilden iets gepresteerd hebben en aanvaarden alle risico’s daarbij. Tot nu toe hebben we het gehaald.

7 December — 13 Januari
Opeens kreeg ik een koortsaanval. Ik werd opgenomen in het hospitaal en lag er op een zaal met nog drie Engelse militairen. Wat me mankeerde wist ik niet. Misschien was het malaria en had ik het opgedaan in de Kruger Wildtuin.

( Bij het bezoek van Van Dulm vroeg hem, of hij niet kon zorgen, dat ik ontslagen werd. Ik was niet helemaal koortsvrij, maar ik voelde me fit. De commandant beloofde dat hij zijn best voor mij zou doen.)

In de namiddag kwam de dokter aan mijn bed en vroeg waarom ik eruit wilde. Ik zei hem, dat ik niet graag met de kerstdagen in het hospitaal wilde blijven. Maar in mijn gedachten dacht ik aan ons vertrek. Ik kon hem dat niet vertellen. Dergelijke zaken waren waren immers strikt geheim, in belang van ons eigen leven.
‘Ben je bang, dat de boot zonder jou weg zal varen?’ vroeg hij.
Ik lachte maar wat. Dat was natuurlijk waar.
De O-21 was inmiddels gerepareerd en de dieselmotor draaide weer.
De dokwerkers zetten de buitenkant van de boot in de menie en de verf. Zelf assisteerden wij hen met de werkzaamheden binnenboord.

Madagascar Harbor Diëgo Suarez


16 Januari 1942
Vertrek uit Simonsstad. We voeren via East London ( halverwege Kaapstad en Durban) naar Madagascar. De Engelse hadden het in 1940 op de Duitsers veroverd. Op de bodem van de baai van Diëgo Suarez, waar we afmeerden. Lagen drie grote koopvaardijschepen, twee en één Britse onderzeeër. Verder lag er een grote tanker in dok.
’s Avonds gingen we met een klein ploegje op bezoek bij enige Franse bewoners. Ze woonden in een oude kazerne. Ze waren uit Nederlands-Indië ontsnapt. Daar hadden ze gewerkt aan de Marine-kazerne in Soerabaja en meegeholpen aan de vernietiging van de havenwerken en de marine-onderkomens.
Ze verstonden geen Engels, maar we wisten ons te behelpen met ons schoolfrans. Het werd een gezellige avond.

Op een middag na het eten kregen we opeens luchtalarm, de mitrailleurs werden in stelling gebracht. De O-21 werd klaargemaakt om zo nodig onmiddellijk naar zee te vertrekken en de aanval te ontlopen. Maar in plaats van de ‘Japanners’ vloog er één geällieerd vliegtuig over.
Na een uur werd het sein ‘Alles veilig’ gegeven. De commandant waarschuwde ons, dat hij bericht gekregen had dat er een Convooi langs de kust was gesignaleerd. Men was er niet zeker van of het geen Japanners waren en hield zelfs rekening met een landingspoging. Gelukkig bleek het loos alarm. Maar onze rust was verstoord.

K.P.M. ‘Plancius’

Van Madagascar voeren we naar de Maladiven, in de Indische Oceaan.
We waren daar maar kort, aan alle lofzangen komt een eind. Zo ook aan ons verblijf op de Maladiven.
We voeren naar verder naar Colombo.
Daar meerden we af langszij het oude stoomschip “Plancius” . Het was van de Koninklijke Pakketmaatschappij geweest en deed dienst als moederschip voor de Nederlandse onderzeeboten.
We brachten onze noodzakelijke plunje aan boord en kregen een kooi toegewezen.

Colombo

Eén van de opvarenden van de andere onderzeeboten vroeg of ik vuile was had voor de Singalese wasbaas.
‘Er zijn er wel honderd, maar wij hebben een hele goeie’, zei Doppengieter van de O-24. ‘Je kunt hem alles geven, ook je uniform. Je krijgt je plunje netjes gesteven en gestreken terug. Als je van patrouille komt, kun je hem de plunje van de drie weken ook meegeven. Het kost haast niets.’ Ik vond het een reuze oplossing.

Woensdag 24 februari 1943
Ik ging met Jan Klootwijk en Cor van de Swan naar Mount Lavina, een kustplaatsje waar het paleis van de Gouverneur stond. Daar stond ook het hotel waar de Hollandse militairen hun verlof konden doorbrengen: dat moesten we gezien hebben. Toen we uit de trein stapten, werden we omringd door inlanders. Ze wilden ons het zwembad laten zien. We namen het aanbod aan. Het bleek een heel eind uit de buurt te liggen. We kwamen bij een kleine open hut terecht. Er zaten drie inlandse meisjes in prachtige kleren te kantklossen. Eén van de meisjes stond meteen op en bracht ons elk een stoel.
Ik zei niets, maar keek met bewondering naar de vlug heen-en-weer gaande vingers, het leek op goochelen, wat die kinderen deden. Zo zaten we daar midden in de rimboe onder de klapperbomen en voelden ons bijna de Maharadja zelf. Uit dank kochten we wat kantwerk. De meisjes bedankten ons, alsof ze het mooiste geschenk hadden gekregen.
‘Very nice, toean?’, vroeg één van de gidsen, toen we verder gingen

Dehiwala Mount Lavina Tempel

We werden ook nog naar sprookjesachtig Hindoetempel gebracht, verborgen op een heuvel in het bos. We kwamen in een hal met een prachtige spiegelgladde tegelvloer. Onmiddellijk schoten er een paar Hindoes toe en drukten ons neer op een bank. Ze trokken onze schoenen uit.
‘U nadert heilige grond!’ We waren te verbaasd om tegen te stribbelen. In het hartje van de tempel stond een groot Boeddhabeeld. Onze begeleiders vielen op hun knieën en baden, Boeddha staarde onbeweeglijk terug. Daarna legden ze ons uit wat de wandschilderingen op de vlakke muren betekende. Er waren veel taferelen uit de Bijbelse geschiedenis bij. Ik keek mijn ogen uit, ik had dit niet willen missen. Terug in de hal trokken de Hindoes ons de schoenen weer aan. Opnieuw voelde ik me een Marahadja.
Eindelijk gingen we naar het zwembad. We bedankten onze begeleiders hartelijk en gaven hun een flinke beloning. Ze hadden ons een onvergetelijke dag bezorgd.

Toen we ’s avonds aan boord kwamen, wachtte me een verrassing negen Rode Kruisformulieren tegelijk uit Nederland. Ze waren me vanuit Londen nagestuurd. ze bevatten goede berichten. Vader en moeder hadden me ’s middags moeten zitten daar bij dat hutje in de rimboe, met achter me een inlander die me met een waaier koelte toe waaide en voor me op de grond iemand mijn voeten waste. Ik glimlachte voor me heen.

Donderdag 5 maart 1943
Het was één dag voor ons vertrek uit Colombo. Ik stuurde een Rode Kruisformulier naar huis. ‘Lieve ouders. Werk in de tuin begonnen. Bollen staan onder water. Hoop veel bloemen. Wijnand’.

6 Maart 1943
‘Voor en achter!’ schreeuwde opperschipper Mey. De trossen werden binnengehaald, de O-21 gleed langzaam de haven van Colombo uit. We vertrokken voor onze eerste patrouille in het Verre Oosten. De eerste twee dagen voeren we boven water: dat ging vlugger. Daarna voeren we nog drie dagen onder water en ’s nachts boven water. Toen hadden we het gebied, dat door de Jappen werd beheerst, bereikt. We passeerden veel vissersschepen, maar we lieten ze ongemoeid. Volgens de Britse Geheime Dienst moest er een 4000-tonner op komst zijn.

13 maart 1943
’s morgens bij het aanbreken van de dag, meldde de uitkijk, dat hij het silhouet van een schip zag.
De asdicman had het schroefgeruis al een poosje gehoord. We gingen onder water. De Ouwe door de periscoop een schip binnenvaren.
Dat moest onze 4000-tonner zijn.
We bleven voor de haven varen kruisen en zorgden dat we in een goede aanvalspositie zouden liggen, zodra het schip de haven zou verlaten.
Om half acht was het zover.
‘In de aanval!’ riep de ouwe.
De torpedo’s werden klaargemaakt tot pen uit en alle alarmposten werden bezet.
‘Ze gooien de trossen van de Jap los’ fluisterde oudste officier Kroesen.
De Ouwe wilde zelf kijken.
‘Hij is los!’ meldde hij.
Neer ging de periscoop.
‘Zou hij de haven al uitstomen?’ fluisterde Kroezen.
Dus ging de periscoop weer omhoog.
‘Ja, Ja, hij zet koers naar de uitgang van de haven’
De Ouwe wilde zelf zien. Hij liet de Jap nog een kwartiertje zijn gang gaan.
De Ouwe maakte berekeningen.
‘In de aanval!’ ‘Pen uit!’ We waren al het gewend.
‘Vuur!’ commandeerde hij.
We hoorden vier zuchten: vier torpedo’s verlieten de buizen.
‘eenentwintig, tweeëntwintig….’ begon ik geluidloos te tellen.
Toen ik bij dertig was, klonk er een oorverdovende explosie en meteen daarop een tweede.
‘Raak!’ fluisterde we allemaal.


Wij, in de commandotoren, mochten om de beurt even door de periscoop kijken. Toen ik aan de beurt was brandde het schip op één plaats, terwijl er juist op een andere plek een grote steekvlam de lucht inschoot. Er werden sloepen gestreken, enkeleJapanners verlieten het schip. Er zwommen ook drenkelingen rond, een paar mensen klommen op een omgekeerde sloep.
‘Ik hoor het geruis van kleine, snelle schroeven’, fluisterde ik opeens. De Ouwe loerde snel door de periscoop.
‘Het zijn twee motorbootjes, ze pikken overlevenden op’. meldde hij.
Hij nam twee foto’s door de periscoop: die moesten als bewijs dienen, dat we het schip tot zinken hadden gebracht. Hij liet ook een paar tekeningen maken voor de pers’
‘Aanval bedankt!’ commandeerde hij.
Voldaan zetten we de zevende ‘V’ in onze bloedvlag.
Nu hadden we ‘Asmogendheden’ en poot uitgedraaid: de Mof, de Italiaan, de Vichy-Fransman, en de Jap.
,Soerabaja, Singapore, alles naar z’n ouwe moer’ , gromde de Zoeter.

Woensdag 24 maart 1943
Met de Bloedvlag versierd met de nieuwe ‘V’ in top voeren we de haven van Colombo binnen.
We meerden af langs de Plancius. Daar feliciteerde men ons met ons succes.
Een Nederlandse Marine-officier had het codebericht waarin de Japanners de vernietiging van het koopvaardijschip meldden opgevangen en ontcijferd.
De telegrammen stroomden binnen. Het hoofdkwartier in Londen en dat van Colombo seinden: “Gelukgewenst aan de commandant en bemanning”.
Helfrich stuurde een telegram: ‘Hartelijke geluk wensen aan de commandant en bemanning’.
Ook in de kranten werd over ons succes geschreven.

Zelf hoorde ik voor de radio het volgende bericht.
‘Een Nederlandse onderzeeboot onder commando van luitenant ter zee Van Dulm bracht in de wateren van het Verre Oosten een Japans schip van 4000 ton tot zinken. De onderzeeboot, waarop luitenant ter zee Van Dulm vaart, nam reeds deel aan de acties in de noordelijke wateren in de Middellandse Zee.
Tot op heden bracht hij meer dan 20.000 ton vijandelijke scheepsruimte tot zinken, onder andere een Duitse onderzeeboot. ( U-95)

Ons Grootste Schip
Lees het op het volgende episode 5.