Ons Grootste Schip
Luitenant ter zee Woldering, Geresteyn, Klootwijk, Van de Zwan en ik kregen een commando-opleiding in het Hollandse soldatenkamp Latsasatye, ongeveer 15 km, buiten Colombo.
Er waren ongeveer 75 man van het Korps Insulinde gelegerd en het bestond uit een groot aantal legertenten. In elke tent sliepen vier tot zes man.
De volgende morgen ontbeten we in de kantine. Daarna vertrokken we door een dicht palmbos naar het strand. We deden in de branding oefeningen met rubberbootjes, net zo lang tot we geluidloos en zonder om te slaan het land konden bereiken, uitstappen en weer vertrekken.
Het was een harde training. Toch had ik het gevoel dat ik met vakantie was. De zon scheen, het water schitterde, de branding bruiste.
’s Nachts trokken we opnieuw naar het strand. Nu moesten we alles, wat we ’s morgens hadden geleerd, in het aarde donker overdoen, en wel zo zacht, dat een Japanse patrouille het niet zou kunnen horen, Als we vijandelijk gebied zouden zijn.
De volgende dagen deden we schietoefeningen met het pistool, de Tommygun, de Stengun, en het befaamde Johnson-geweer ( een bijna feilloos te gebruiken snelvuurgeweer), we wierpen handgranaten en leerden wat ju-jitsugrepen. Ook moesten we iemand met eenvoudige middelen leren boeien.
’s Nachts moesten we een gedeelte van het kamp binnensluipen of een nabijgelegen dorpje en ons daarna terug trekken zonder dat iemand het merkte.
Zo lag ik dan midden in de nacht met mijn oor tegen een hutje van een inlander. Ik kon de mensen horen ademhalen.
Zaterdag 10 April 1943
De facteur was pas geweest en had een brief van mijn oom uit Detroit gebracht. De Amerikaanse familie die me een kerstpakket had gestuurd, had zijn adres voor mij opgespoord. Mijn oom schreef in het Nederlands, maar zijn brief was doorspekt met Engelse woorden. Ik antwoordde dezelfde dag nog. Ik stopte een krantenknipsel met het bericht over het tot zinken brengen van het Japanse schip in mijn brief.
Zondag 11 April 1943
’s Ochtends ging ik naar de Wolvendaalsekerk. Een Hollandse familie nam me mee naar hun huis. Ik bleef er koffie drinken en eten. Toen moest ik terug naar de Plancius om te rusten. Ik versliep me prompt.
’s Avonds om negen uur was de hele bemanning van de O-21 op post.
‘Voor en achter!’ klonk het gedempt.
De trossen werden losgegooid. Langzaam dreven we af van de Plancius. We gleden langs een Chinees kaperschip, dat zo iets als ‘Wang Pa’ heette. Heel stilletjes kwamen er negen Chinese geheim agenten aan boord plus de rubberbootjes waarmee ze in de buurt van Penang aan land gezet moesten worden worden.
‘Daar heb je onze klanten’. zei ik tegen Geresteyn. ‘we hebben de commando-opleiding niet zomaar gehad.’
Een dag of vier later koersten we de Straat van Malakka in. We geloofden nog steeds, dat niemand wist waar we waren.
Midden in de nacht voeren we dicht onder de kust, niet ver van de haven van Penang. Geresteyn en ik sleepten de rubberbootjes aan dek en zetten ze het donker in elkaar. De negen Chinezen namen intussen afscheid van de bemanning. We hielden de bootjes vast, terwijl zij voorzichtig instapten. Geruisloos voeren ze weg.
We keken ze na, totdat ze in het donker waren verdwenen. Zouden ze erin slagen, vermomd als pindamannetjes, marskramers en koelies, hun opdracht uit te voeren?
Of zouden ze voor vuurpeleton terecht komen?
22 april 1943
‘Schip in zicht!‘ riep de uitkijk in de kuip.
‘Eindelijk!’ bromde de Ouwe. Hij stormde de trap op.
Tegen de horizon was het silhouet van een schip te zien. De Ouwe tuurde door zijn nachtkijker.
‘Hij schijnt deze kant uit te komen we gaan onder water’ besloot hij.
We zakten naar periscoopdiepte. Het schroefgeruis werd zachter, onze prooi verwijderde zich.
‘Rijzen!’ commandeerde de Ouwe.
‘Volle kracht vooruit!‘ klonk het even later.
De heer Metz haalde uit de dieselmotor wat hij kon. We schoten met een vaart van 18 mijl
( ongeveer 29 km) door het water. Boven ons fonkelden de sterren en scheen de maan. De natuur ademde vrede. Maar wij achtervolgde onze prooi.
God, waarom?’ vroeg ik me af.
Toen kreeg de spanning van de jacht me te pakken.
In de radiohut hoorde men meer schroefgeruis: de koopvaarder werd waarschijnlijk geëscoteerd door een torpedojager.
‘Dat worden weer dieptebommen’. voorspelde Theo Morsdorf somber.
‘Overleven we ook wel weer’. bromde stoker Groenewegen.
Langzaam maar zeker liepen we op de koopvaarder in. De Ouwe gaf het sein tot onder water gaan.
We doken snel. Ik zat achter de Asdic in de commandotoren, de Ouwe hing aan de periscoop.
De jacht duwde veertig minuten: ze leken eindeloos. De Ouwe berekende onze kansen.
‘ Wat een prachtig schip. Hoeveel ton schat je hem?‘ mompelde hij.
Oudste officier Kroesen loerde door de periscoop ‘Zo’n zevenduizend, het is een tanker‘. antwoorde hij.
De spanning in de centrale was om te snijden. Hij kon wel eens te weinig diepgang hebben voor onze torpedo’s. We moeten op de tanker richten ‘De Ouwe wikte en woog. ‘We wagen het’, besloot hij.
Ik zweette als een otter achter mijn adiscapparaat. Ik hoorde duidelijke het schroefgeruis.
‘Vuur!’ commandeerde de Ouwe nog onverwacht.
Vier torpedo’s verlieten de boegbuizen.
Ik begon te tellen. Toen ik bij de negenennegentig was, toen er twee daverende explosies, gevolgd door geroffel alsof het onweerde.
De Ouwe en ik waren in de commandotoren. Kroesen stond in de centrale.
‘Kijk!’ zei de Ouwe kortaf. Hij maakte haastig zijn fototoestel klaar. Ik greep de periscoop en keek naar het zinkende schip. Het achterschip van de Japanner stond in lichterlaaie. Het voorschip nog niet.
‘Commandant, hij vliegt de lucht in!’ schreeuwde ik.
Precies middenscheeps schoot een enorme steekvlam omhoog. De Ouwe duwde me opzij en maakte op goed geluk een serie foto’s door de periscoop heen.
Ik kroop weer achter mijn asdic en luisterde. Ik hoorde een enorm herrie: het gerochel van een zinkend schip, het geloei van vlammen, het knallen van explosies.
‘Hij brandt als een fakkel!’ rep de Ouwe opgewonden.
‘Weg periscoop!‘ Hij zag de Japanse jager die het schip escorteerde zwenken.
We zakten naar vijfendertig meter en wachtten gelaten op de dieptebommen. Al gauw waren we gewikkeld in zware, lange, krachtige en dreunende explosies.
Ze zaten als het ware als een zwachtel om ons heen. maar er was geen reden voor paniek: de bommen vielen vrij ver weg.
‘Hij zoekt ons aan de andere kant van het schip’, zei de Ouwe tevreden.
‘Hij heeft misschien de bellenbaan van de twee torpedo’s gezien die doorgelopen zijn’, . Veronderstelde Kroesen.
We wachtten op de een volgende serie dieptebommen.
Ze kwamen niet.
Nog één keer stegen we tot periscoop diepte. De Ouwe draaide de periscoop in de rondte.
‘De Jager pikte de overlevende op. Op honderden meters afstand staan stukken in brand’, meldde hij.
In sluipvaart maakten we ons uit de voeten.
Pas na een uur durfden we ons aan boord weer te roeren. Iedereen was opgewonden en enthousiast.
De commandant keek naar de horizon: er hingen nog steeds zwarte wolken. In de verte klonken drie zware explosies.
Al gauw vlogen er Japanse vliegtuigen boven ons. We gingen dieper varen. Toen ze verdwenen waren, werden de boogbuizen opnieuw geladen. het was nauwelijks gebeurd, toen het bevel klonk.
‘In de aanval! Hekbuizen klaar tot pen uit!
In de radiohut was een schip gepeild. Het had geen escortevaartuig bij zich. Sergeant Appie Bauw haalde opgelucht adem.
We wreven ons in de handen. Het zou een gemakkelijke buit worden, die we mooi even mee pikken.
De O-21 lag bijna stil:
De Ouwe berekende onze aanvalspositie, hij veegde het zweer telkens van zijn voorhoofd.
‘Vuur!’ riep hij.
Twee torpedo’s koersten op het schip af
Er volgende geen explosie. De torpedo’s gingen eronderdoor!
De Ouwe keek snel door de periscoop.
‘Weg met de periscoop en zakken’ fluisterde hij.
De voorduikroerganger gaf helling voorover, we zweefden naar een diepte van vijfentwintig meter.
‘Hij komt op ons af. Hij moet onze bellenbaan gezien hebben en ook onze periscoop. Ik zag ze naar de kanonnen rennen’ fluisterde de Ouwe.
Opeens was het een hels lawaai. De dieptebommen barstten zo dicht bij onze boot uiteen, dat het leek alsof we geraakt waren. De O-21 trilde hevig, hij danste op en neer, schudde heen en weer.
Het knapte me in de oren en het hart bonsde me in de keel.
‘Dit is het einde! God, laat het snel gebeuren!’ dacht ik.
Maar de dieptebommen raakte ons niet.
Die verwenste Jap had ons weer in de gaten!
Er volgde derde serie diepte bommen.
‘Nu moet onze boot wel in elkaar klappen’, dacht ik.
Dit moest ons einde worden.
Mijn koptelefoon bengelde naast de Asdic, Mijn handen omklemde de periscoopkabel en de Asdictafel.
Mijn ogen staarde naar de drukvaste huid van de commandotoren. Langzaam vervaagde het geluid van de explosies.
Niemand durfde een vin te verroeren. iedereen keek beduusd om zich heen. Leefden we nog of was het een droom?
Opeens werd het een maat te veel, hij schreeuwde zachtjes.
Daarna werd het stil
De aanval was voorbij.
In sluipvaart gingen we er vandoor. De Ouwe keek niet meer door de periscoop. Alleen de telegrafisten in de radiohut en ik achter de Asdic luisterden naar schroefgeruis.
Dat werd langzaam zwakker.
We waren eruit.
‘Ik denk dat we met een lokschip te maken hadden, een ‘Q schip’, verklaarde Ouwe
‘zo’n ding ziet er onschuldig uit, maar het is een goed geoefend oorlogsschip dat op onderzeeboten loert. Een met zeer geringe diepgang.’
We bleven op grote diepte varen. Ik hoorde een het geruis in de Ascic, dat er een vliegtuig boven ons cirkelde en dat er een torpedojager naar ons zocht. Pas aan paar uur later waagde de Ouwe het door de periscoop te kijken.
Toen nog zag hij in de verte drie schepen naar ons zoeken; ze voeren gelukkig de verkeerde kant uit.
De schade aan de boot viel mee. Er was alleen brandstof in de ene waterdrinktank gedruppeld, waarschijnlijk langs een klinknagel.| Dus moesten we het één drinkwatertank doen.
‘Zuinig met water, je niet meer wassen, alleen tanden poetsen en je haren nat maken bij het wakker worden!’ luidden de voorschriften.
We scharrelden verder: vies, stinkend, benauwd en moe. Pas ’s nachts kwamen boven water. Om de beurt konden de mannen die geen wacht hadden even naar boven. Ik ademde diep de frisse lucht in.
Ik leefde nog ‘God, ik dank U!’ fluisterde ik.
De haven van Sabang kwam in zicht.
‘Klaar maken voor onder water!‘ commandeerde de Ouwe
Het feest was alweer voorbij.
We kropen de haven van Sabang in. Om de beurt mochten we door de periscoop kijken. Er lagen schepen in de haven. langs de wal waren vliegvelden aangelegd. Er cirkelden Japanse Zero’s en militaire-Mitchi-Wichie-Bommenwerpers rond. In de verte voer een kleine veerpont vol passagiers.
‘Commandant, laten we dat ding tot zinken brengen!’ fluisterde de officier van de wacht schertsend.
De Ouwe schudde het hoofd. ‘Te link met de bommenwerpers in de buurt’, weerde hij af.
Wijnand bedoelde met de Japanse bommenwerpers Mitsu-Bishi type GM4 ” Betty” met een Torpedo of met bommen aan boord.
29 April 1942
We keerden terug naar Colombo
Vrijdag 30 April 1943
Luitenant ter zee Woldering, Geresteyn, Klootwijk, Van der Zwan en ik reisden naar het soldatenkamp Latsapathye om onze commando-opleiding voort te zetten. Het bivakkeren onder de palmen was een verademing.
’s Morgens begonnen we met leren werpen van handgranaten. Het viel in het begin helemaal niet mee om die dingen op de aangewezen plek te laten komen. Elke morgen, als we aan het oefenen waren. tjoekerde er een stoomtreintje voorbij. Het ding was afgeladen vol, de inlanders zaten op de treeplanken en op de daken. We kregen allemaal tegelijk hetzelfde idee. Onze armen gingen naar achteren en naar voren . Bats! Er vielen enkele oefengranaten op een veilige afstand van de spoorlijn. We wierpen ons plat op de grond, hieven onze hoofden op en keken. De granaten spatten met veel geknald uiteen. In een mum van tijd zat er geen Singalees meer op een treeplank of een dak: opeens konden ze wel allemaal in de trein. Elke morgen herhaalde we hetzelfde spelletje, altijd met hetzelfde resultaat.
Na de werpoefeningen helden we camouflage-oefeningen buiten het kamp.
Gekleed in groen-bruine camouflage-overalls trokken we de dichte bossen in. Een paar moesten zich verstoppen en na een kwartier moesten de anderen de verstopten zoeken. Meestal gelukte het niet om hen te vinden. Het gaf ons een enorm brok zelfvertrouwen.
‘In zo’n ding zou ik wel een legerkamp van de Jappen durven besluipen’ dacht ik.
Na de oefeningen zaten we zaten we onder het stof en blubber. Dan trokken we naar het strand en doken de zee in.
Zaterdag 15 mei 1943
Het was mijn beurt om met verlof te gaan. Voordat ik naar het station ging, rende ik naar de facteur. Ik bofte: er was een telegram van mijn moeder. Het was een antwoord op het telegram dat ik op 27 februari had verzonden en luidde: ‘ Wijnand Claes everything all right, very happy with your message, hope to see you soon again. Kisses parents.
Ik was er erg mee in mijn sas en borg het zorgvuldig op in mijn portefeuille.
We gingen naar Nuwara Elya, een klein plaatsje op ongeveer twee duizend meter hoogte, in het binnenland van Ceylon. Het was een gezondheidskolonie. We reisden er met de trein heen. We kwamen langs uitgestrekte theeplantages en reden tussen hoge bergen door.
In Nuwari Elya was het 65 á 70 graden Fahrenheit, tien koeler dan in Colombo.
We logeerde in het prachtige Neuralia Hotel. Het wemelde er van inlandse bedienden, allemaal gekleed in smetteloos wit.
Toen ik mijn drankje op had, ging ik het dorp verkennen. Nuwari Elya was een echt verlofcentrum met allerlei soorten sportvelden voor paardenrennen, tennissen, voetballen, hockeyen, golfen, polospelen. Natuurlijk was er ook een zwembad, het dorp lag aan een meer. Ik zou me hier beslist niet vervelen.
’s Avonds speelden we eerst een partijtje biljart. Daarna dronken we iets op het terras. Het was heerlijk koel buiten.
Ik voelde me hier even goed op mijn gemak als in het deftige maar vrije Neuralia Hotel in de bergen.
We hoefden niet op de Plancius te blijven, maar reisden meteen door naar het kamp van het Korps Insulinde om onze commando-opleiding af te maken.
Onze oefeningen werden steeds verfijnd. We moesten leren om als inlander verkleed met een rubberboot de dichtbeboste rivier op te varen en een landingsplaats te vinden die op een primitief kaartje was getekend of op een briefje stond beschreven. Als we hem hadden gevonden, moesten we geluidloos naar de oever varen, de boot verstoppen en aan land sluipen.
’s Nachts beslopen we niet meer de hutten van de inlanders, mar een nabij gelegen Brits-Indische Luchtbatterij.
We lagen er met onze gezichten tegen de grond gedrukt en hoorden de schildwacht heen en weer lopen.
Tot slot moesten we proberen de Britse commandant van zijn bed te lichten, te ontvoeren en zijn handen in de lucht te laten steken.
Het gelukte ons inderdaad om ongemerkt in zijn slaapkamer te komen. Maar toen hij zijn handen omhoog moest steken, riep hij ‘dammed Dutchies!‘ uit wrevel dat hij zich had overrompelen. We dronken het af met een whiky-soda. Hij wenste ons geluk met onze geslaagde opleiding.
Toen we terug keerden op de Plancius lag de O-21 klaar voor vertrek. Er was een dankbetuiging binnen gekomen van de Chinese agent Majoor Tai. Hij wenste ons namens zijn negen Chinese agenten die wij op de kust van Malakka hadden afgezet, geluk met de geslaagde operatie. De spionnen hadden hem dus bericht kunnen sturen.
Vice-admiraal Helfrich was in Colombo. Hij inspecteerde ’s zaterdags onze boot. Alles blonk er als een spiegel. We stonden allemaal in een hagelwit tropenuniform in gelid aangetreden. De vice-admiraal hield een daverende toespraak. ‘Ik hoop dat u tot de bevrijding van ons land zult strijden zoals u tot nog toe hebt gedaan’, zei hij ongeveer.
Hij eindigde zijn speech hoezee voor de Koningin.
Op zoek naar spionnen.
Lees het op de volgende episode 6





