Speurtocht naar spionnen
Die rotoorlog ook. Wanneer komt er eens een eind aan? foeterde ik.
We wisten niet waar we heen gingen. Pas toen we een dag op zee waren, vertelde de Ouwe het: we waren onderweg naar een geheime basis in Australië. Vandaar zouden we bijzondere opdrachten ten uitvoeren in Nederlands-Indië.
13 Juli 1943
Met onze tropenplunje aan boord vertrokken we voorgoed uit Colombo. Onze laatste patrouille had niets opgeleverd. De geallieerden hadden zich hersteld van de klappen die ze in het begin van de oorlog hadden gekregen. De Jappen waagden zich niet meer tussen de eilanden van de Indische Archipel.
20 juli 1943
We meerden af langszij de “Ondina” in de geheime baai Exmouth Gulf aan de Noordwestkust van Australië.
23 Juli 1943
We vertrokken van Exmouth Gulf voor een patrouille die zevenentwintig dagen zou duren. Aan boord hadden we de geheime agent Sri Nojo Papilaja en twaalf rubberbootjes. De patrouille droeg de codenaam ‘Nefis’.
De eerste drie uren kregen we een escorte mee. Het humeur van de Ouwe was niet zo erg best. Hij vond onze uitrusting onvoldoende en naar zijn mening had de leiding in Melboure de zaak te simpel opgezet.
( Sri Nojo Papilaja woonde in Soerabaja. Javaans korporaal KNIL behorend tot de NEFIS (Netherlands Indies Forces Intelligence Service). Onder de codenaam Tiger VI is hij aan de kust van Oost-Java aan land gezet voor het verzamelen van inlichtingen. Met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid viel Papilaja in handen van de vijand, die hem kort daarna om het leven hebben gebracht. Zijn stoffelijke resten zijn nimmer geborgen.)
27 juli 1943
Java kwam in zicht. We ontdekten het eerste stukje land en verdwenen meteen onder water. We voeren in de richting van Poelau Sempoe
Toen we er waren, bleven we er drie dagen rondhangen. |
We moesten proberen om aan de zuidwestpunt van Java contact te krijgen met geheime agenten die al eerder aan wal waren gezet. Een van hen moesten we aan boord nemen. We moesten scherp uitkijken naar een Prauw die langs de kust heen en weer zou varen.
Het werd avond, we kwamen boven water. Weer stonden we op de uitkijk. De prauw moest nu een vast licht aan stuurboord en bakboord hebben. Als de lichten een kwartier lang werden gedoofd zou het de prauw van onze spion zijn. De O-21 zou de prauw naderen , de commandant moest roepen:
“Sampoen padjak kijamak!’ ( het witte licht moet gedoofd worden) Onze agent moest, als hij aan boord was, op zijn neus krabben en zijn nummer boven duizend noemen.
Weer verscheen de bewuste prauw niet.
Nefis (Netherlands Forces Intelligence Service) Inlichtingendienst van de Nederlandse Strijdkrachten
Degene die de commando-opleiding hadden gevolgd, werden in twee ploegen gedeeld. Landinggroep I bestond uit Van der Zwan en Klootwijk, Landingsploeg II uit luitenant Woldering, Geresteyn en ik. Terwijl we op de agent wachtten, oefenden Van der Zwan en Klootwijk met een rubberboot. Ze moesten een mijl van de O-21 roeien en dan met de electrische toorts seinen.
Tenslotte voeren we maar verder. We moesten op tijd aankomen op de plek voor onze volgende opdracht. De geheime agenten wisten dat we op tijd zouden vertrekken en dat hun kansen, als ze te laat kwamen, wat deze patrouille betrof, waren verkeken.
We voeren langs de kust van Java. De commandant gaf de baaien en de havens die we passeerden gefingeerde namen. Mocht een lid van een landingsploeg in handen van de Jappenvallen, dan kon hij niets verraden.
1 augustus 1943
We kregen Bali in zicht. De Ouwe verkende de kust. Hij ontdekte een groot Japans vliegveld en maakte er een situatieschets van. Er stonden een twee motorige bommenwerper en een jachtvliegtuig onder de palmen. Twee ‘Zero’s’ naderden en landen. We voelden ons niet op ons gemak. Als de bemanning onze uitkeek, zouden ze ons zo kunnen zien varen in het heldere water. We werden niet ontdekt.
We naderden Semboelang en doken snel onder water. Ons volgende operatie-terrein was de PangPang baai. ( Teluk Pangpang)
‘Prauw in zicht!’ meldde de officier van de wacht.
De Ouwe nam de plaats achter de periscoop in.
‘Niet een prauw!’, minstens vier!’ mopperde hij.
Er bleek een hele vissersvloot in de baai voor anker te liggen.
We konden niet naar binnen we moesten wachten.
Om twee uur ’s middags waagde de Ouwe het erop. De diepte van de baai was hier en daar niet meer dan veertien á vijftien meter.
Wij voeren in sluipvaart naar binnen en iedereen aan boord hield zich zo stil mogelijk. Als de vissers ons zouden ontdekken en ons aan de Jappen zouden verraden, zaten we onherroepelijk in de val.
Bovendien kon ieder overvliegend vliegtuig ons zo zien liggen. De spanning aan boord was dan ook te snijden.
Het wachten is was op onze geheim agent, de Indische adelborst Daniel Lapod. Hij had vandaag in één van de prauwen moeten zitten. Daar had hij zich, als een aap op zijn neus en onder zijn oksels moeten krabben.
We verwachten dat Daniël Lapod nu met lichtsignalen onze aandacht zou trekken. Er lag echter een Kampong aan de kust en daarin schenen en wriemelden zoveel lichtjes, dat het herkennen van lichtsignalen onmogelijk leek. De lucht boven ons was inktzwart, er viel geen ster te bekennen en het zicht was slecht. Als hij buiten het lichtschijn van de kampong in een prauw zat, konden wij hem niet zien. Het weer werkte niet mee.
Landingsgroep II, Woldering, Geresteyn en ik, moesten de man maar gaan zoeken . We pompten een rubberbootje op. Het luik ging open en het bootje werd te water gelaten. We stapten in. Luitenant ter zee Woldering had de leiding. De Ouwe liet de mitrailleur aan boord van de O-21 bezetten: ze moesten onze aftocht dekken. We verdwenen in het donker langs de kust, dicht onder de kampong.
We speurden, tot onze ogen pijn deden, maar we ontdekten geen geheim agent. Onverrichterzake keerden we terug. als herinnering namen we een handvol zand van Java mee. Ik had voor het eerst voet aan wal gezet in Nederlands-Indië.
Kort daarop verdwenen Klootwijk en Van der Zwan met aan boord onze geheim agent Sri Nojo Papilaja. Hij moest even voorbij een kleine kali aan wal worden gezet, vlakbij een kleine kampong. Voordat we uit dit gebied zouden vertrekken . De rubberboot verdween in een ommezien in het pikdonker. Af en toe zagen we lichtsignalen. Dan seinde we terug. Een uur later keerde de ploeg behouden terug.
Het bleef pikdonker en men kon letterlijk geen hand voor ogen zien. Een zware tropische regenbui barstte los en het water gordijn leek ondoordringbaar.
Toen het donker was, moest het anker ingehaald worden. Het lukte niet
‘dat rotding zit ergens vast‘ meldde Theo Morsdorf, één van de jongens die ermee aan het zwoegen waren.
‘Voorhellingstank leegmaken’, commandeerde de Ouwe tenslotte.
De boot werd van voren lichter gemaakt en drukte ons omhoog. Na lang worstelen schoot het anker los. De boot vloog omhoog en kwam boven het water uit. Iedereen die niet in bed lag, greep zich ergens aan vast.
De ouwe keek bezorgd. Als de Jappen in de kampong over het water stonden te turen waar het geluid van onze pompen vandaan kwam, hadden ze ons nu wel ontdekt.
Gelukkig hadden de duikroergangers in de centrale de zaak spoedig onder controle.
Landingsgroep II, Luitenant Woldering, Geresteyn en ik, stapte weer in een rubberboot en ging op zoek naar geheim agent Daniël Lapod. We roeiden eerst naar de vissersprauw: misschien zat hij daarin. Het bleken twee prauwen te zijn. We klommen aan boord en controleerden alles. we ontdekten niets bijzonders. De vissers merkten niets. Daarna peddelden we geruislos langs de wal. Na een uur keerden we terug naar de O-21, zonder geheim agent, maar mèt een takje van een Javaanse boom.
De O-21 vertrok geruisloos uit de baai. We zetten koers naar het midden van de Straat Bali. We moesten onze batterijen opladen.
De volgende dag keerden we terug naar de Panpang baai. We voeren op een diepte van dertien meter en legden de boot gewoon op de grond, zonder anker en gekanker. We bleven er de hele dag liggen.
Het weer was slecht, het stortregende voortdurend. We konden weinig door de periscoop zien. Maar de Jappen konden ons ook niet zien.
’s Nachts stapten we opnieuw in onze rubberboot en voeren we naar het strandje waar we onze geheim agent Daniël Lapod moesten oppikken.. Hij was er weer niet. We keerden meteen naar boord terug. Daarna werd het anker gelicht. We voeren dicht onder de kust dieper de baai in, tot dichtbij de plek waar we geheim agent Sri Nojo Papilaja hadden afgezet.
Een taak voor Landingsploeg I, Klootwijk en Van de Zwan verdwenen in het donker. Af en toe hielden ze contact met de O-21 door middel van een electrische toorts. Plotseling begon het te regenen. De seinen werden onduidelijker en verdwenen. Een uur lang zagen en hoorden we niets.
We begonnen ons bezorgd te maken. De Ouwe werd onrustig en bromde in zijn baard: “Vuile rotzooi!’
Misschien door Jappen gesnapt.
Maar de commandant wilde zijn mannen toch niet aan hun lot overlaten.
“Landingsploeg II moet ze gaan zoeken!” commandeerde hij. Onze rubberboot werd aan dek gehaald en opgepompt. Hij was lek. Dan moesten we de jol maar nemen.: die was in de bovenbouw opgeborgen. De boot werd getrimd en zakte tot de commandotoren onder water. De luiken aan dek waren nu gelijk met het wateroppervlak. Daardoor kon de jol gemakkelijk uit bergplaats worden gehaald en geluidloos het water in worden geschoven.
Hij was keurig netjes donkergrijs getjet ( geschilderd) en viel in het donker nauwelijks op.
Intussen moesten wij ons als inlanders vermommen. We kregen een Sarong aan en een doek om ons hoofd. Onze gezichten werden zwart geschminkt. Toen we in de Jol waren gestapt, kregen we de laatste orders mee. Jan van Asten: vroeg ‘mag ik je baadje hebben, als je niet meer terug komt?’
Meertens zei: ‘Geef mij maar vast de sleutel van je kastje!’
Ik antwoorde: ‘Ik kijk wel uit!’
Ik zat aan de riemen. Ze kraakte zachtjes in het dolboord. We gleden naar de plek waar Klootwijk en Van der Zwan moesten zitten. Af en toe seinden we met onze electrische toortsen naar de O-21.
Opeens plensde het van de regen. We waren het contact met de boot kwijt.
We ploeterden verbeten door. Luitenant Woldering riep voortdurend, niet te hard, naar Klootwijk en van der Zwan.
Na een uur keerden we langzaam terug. De O-21 moest in het midden van de Baai liggen. We koersten er op geluk op af, maar zagen de boot niet. De lucht klaarde op. Het zou gauw dag worden. Het was doodstil. Opeens doemden er vissersprauwen uit de ochtendnevel op. We hielden onze revolver klaar. We vertrouwden ze voor geen cent er konden best Jappen inzitten.
De prauwen kwamen dichterbij. We hoorden riemen in dolle kraken.
‘Blijf op je hoede!’ waarschuwde luitenant Woldering.
We richtten de revolvers op de mannen aan de riemen. Het waren vissers, ze keken ons verbaasd aan en hielden even de riemen in.
‘We zitten middenin een vissersvloot, blijf maar rustig doortrekken’ fluisterde Woldering.
We zagen de O-21 liggen. Ze lag getrimd, tot het dek onder water.
De mitrailleurs waren bemand en dekten onze terugtocht.
Opeens ontdekten we een kleine prauw.
‘Snel inpikken en informatie nemen’, siste onze commandant Woldering. We roeiden erop af en dwongen de prauw te stoppen. Hij sommeerde de visser in het Maleis om bij hem te komen.
De visser schreeuwde van angst, sprong uit zijn prauwtje en rende naar de kampong. ( inlands dorpje) We sprongen hem na, maar we hadden geen schijn van kans.
Zo vlug we konden, gingen we aan boord van de O-21. De Jol werd razendsnel opgeborgen. We vertrokken meteen naar zee.
De O-21 lag weer buitengaats. We waren Klootwijk en Van der Zwan kwijt. We bleven voor de baai rondkruisen. De Ouwe had rust nog duur. Om één uur ’s middags voeren we de baai alweer in.
Met de regelmaat van de klok hing hij aan de periscoop en zocht de kust van de baai af. Hij hoopte dat hij Klootwijk en Van der Zwan van commandogroep I op de afgesproken plaats zou ontdekken. Na enige tijd een schreeuw: “Daar zijn ze!’
De mannen zaten op een strandje aan de andere kant van de baai. Ze hadden zich verstopt tussen de struiken. Af en toe zag je een hoofd, blijkbaar van de uitkijk. Nu moesten ze ons nog in de gaten krijgen. Even later kwam iemand onder de bomen vandaan. De Ouwe liet de periscoop drie keer op en neer gaan. De man zwaaide hij had ons gezien.
Het was een hele opluchting. We moesten tot de avond wachten om hen op te halen. Eindelijk was het donker genoeg. Onze commandoploeg II, Woldering, Geresteyn en ik stapten in de Jol om de verlorenen op te halen. Toen we bij het strandje kwamen, waren Klootwijk en Van der Zwan er niet.
We schreeuwden, gaven lichtseinen, maar kregen geen antwoord. We keerden terug. Gelukkig, ze waren al aan boord. Onze bemanning was weer compleet.
De mannen vertelden dat ze de vorige dag de boot net hadden gemist. De O-21 was vlak voor hen uit naar zee gevaren! Ze hadden ons, toen we er de vorige avond als reddingsploeg op uittrokken, ook even gezien en naar ons geseind. We hadden hun signalen niet opgevangen, de Ouwe aan boord wel, maar hij had de zaak niet vertrouwd.
We bleven nog enige tijd in de baai liggen. We hoopten nog altijd op seintjes van de geheime agenten Daniël Lapod en Sri Nojo Papilaja. Ze wisten dat we zouden vertrekken.
Ze kwamen niet opdagen.
We zetten koers naar Lombok. Toen we bij de Straat van Lombok kwamen, kregen we steeds minder vaart en voor de straat zelf voeren we achteruit in plaats van vooruit. De stroom was er acht mijl per uur en de vaart van de O-21 zes mijl. Er zat niets anders op; we moesten wachten tot het donker was..
We zetten koers naar Goa, een klein eiland ten westen van de Kangeangroep, daar moesten we een prauw met geheim agenten oppikken. We bereikten het tegen de avond. Pas de volgende middag tussen vier en zes uur zag de Ouwe een prauw met een gekleurde lap aan de voorsteven: het afgesproken teken.
‘Daar zul je hem hebben!’ bromde hij.
We wachten tot het helemaal donker was. . Toen kwamen we boven water. We voeren electrisch en naderden de prauw geruisloos. Er werd geen rood ontstoken en niemand gaf een teken. Het kon de prauw van de agent zijn of niet zijn.
‘We gaan erop af ” besloot de Ouwe.
De mitrailleur in de mitrailleur-bun ging omhoog en werd bemand.
‘Als het maar geen lokaas is’, mompelde hij.
We kwamen dichterbij de prauw, We zagen geen man, die zich onder de linkeroksel krabde. Onze agent was òf niet aan boord of hij had ons net opgemerkt.
Maar dat laatste kon eigenlijk niet hij wist dat we zouden komen.
‘Vuur’ Commandeerde de Ouwe zacht.
De man achter de mitrailleur gaf een paar korte vuurstoten.
‘Ampoen, ampoen, toean Nippon!’ ( Vergiffenis, vergiffenis, Japanse meneer!) schreeuwde een man.
We enterden de prauw. Er zaten twee oude vissers in een twee jongens, en van tien en een van ongeveer vijftien jaar. Luitenant Woldering praatte een poosje in het Maleis met hen. De Ouwe liet de prauw onderzoeken. De vissers boden hun vistuig aan,, als we ze vrij lieten. We stelden hen zo goed mogelijk gerust .
Luitenant Woldering vroeg wel of ze met ons mee wilden. Hij vertelde dat we geen Japanners waren en dat we hen naar een vrij land konden brengen. Maar ze wilden bij hun familie blijven.
De Ouwe gaf hun een zak rijst als vergoeding voor de schrik en nam hun scheepspapieren af.
‘Nu moeten ze nieuwe papieren aanvragen en dan moeten ze vertellen hoe ze de oude kwijtgeraakt zijn’ mopperde één van de officieren .
‘Praten over ons doen ze toch’, Sneed de Ouwe zijn protest af.
10 augustus 1942
Het was zeven uur ’s avonds.
‘Rijzen!’ commandeerde de Ouwe.
Met donderend geraas kwamen we boven water vlakbij de prauw van een Madoerese visser. De man kreeg schrik van zijn leven en maakte dat hij weg kwam. Maar wij schrokken ook: niemand mocht weten dat wij hier waren. Wij voeren snel verder. Het torenluik bleef dicht, alleen het voorluik open. De Ouwe zette er een mannetje bij op wacht. Hij moest het luik bij het eerste alarm sluiten. Zo kwam er toch wat frisse lucht aan boord. We voeren in straat Bali.
De hele nacht en ook de volgende dag verkenden we de kust van het eiland door onze verrekijkers en door de periscoop. De volgende nacht vermomden luitenant Woldering, Geresteyn en ik ons als inlanders. We kregen een Johnson snelvuurgeweer, een revolver, een groot kapmes, handgranaten, electrische zaklantaarns en noodrantsoenen mee. Ik stopte mijn fotocamera in mijn zak.
In het aardedonker roeiden we naar het strandje, dat we overdag hadden uitgezocht. We trokken onze rubberboot aan de wal en verstopten hem tussen de struiken. Toen gingen we een plek zoeken, waar we onszelf en onze spullen konden verstoppen. Toen alles in orde bleek, kropen we weg. We hielden ons doodstil. We waren op vijandelijk gebied en we wisten niet of et eiland door de Jappen was bezet. Dat moesten we onderzoeken, als het licht was geworden.
Tegen de ochtend zagen we de O-21 onder water verdwijnen, alleen de periscoop bleef zichtbaar. Nu waren we op onszelf aangewezen. Er hing een lichte nevel, die de zon versluierde. we luisterden scherp. Alles leek veilig. Eddy Woltering en Geresteyn gingen eerst op onderzoek uit. Ik bleef achter. Bij onraad moest ik de O-21 waarschuwen. Eén van de officieren zou het strandje steeds door de periscoop in de gaten houden.
‘Natuurlijk zal de Ouwe er ook om de haverklap aanhangen’, dacht ik grinnekend.
Op dit herten-eiland heeft de Commandogroep II onderzoek gedaan en hebben een hert als buit meegenomen voor de bemanning aan boord van de O-21, zij doken het water in, ik bleef een hele tijd op de koraalachtige bodem van de baai liggen. Alle moeheid trok uit me weg.
Luitenant Woldering riep. Ik keerde terug tot de werkelijkheid. We lagen heerlijk te baden op vijandelijk gebied.
‘Wat is er?’ vroeg ik
‘Ze zullen er aan boord de pest in hebben’.
Geruisloos roeiden we terug naar de O-21. Eerst werd onze jachtbuit aan boord gehesen. De bemanning stond te watertanden. De Ouwe keek ons monter aan en wreef zich in de handen, hij was blij dat hij zijn mensen weer veilig binnen had en was in zijn schik met onze buit.
Eindelijk weer vers vlees aan boord, dat was zijn bedoeling.
Op een lage pit
13 augustus 1943
We bereikten de noordkust van Java bij Sitoebondo. Bij Tandjoeng Jangkar moesten we geheim agent R.M. Soejitno ophalen. Hij zou met ten hoogste nog drie agenten in een prauw zitten.
Hoe we ook speurden, we vonden ze niet.
’s Avonds passeerden we meer dan tachtig vissersbootjes. De uitkijken en de officier van de wacht bekeken de prauwen nauwkeurig, ze merkten niets bijzonders.
Opeens zei de officier van de wacht: ‘Bekijk die prauw eens’.
De uitkijken tuurden door hun kijker.
‘Er is iets mee’, constateerden ze.
Toen we het voorbij voeren zwenkte het. Plotseling zag het silhouet er anders uit.
De officier van de wacht waarschuwde onmiddelijk de commandant. De Ouwe richtte zijn kijker op het schip. keek even en commandeerde ‘Onmiddelijk onder water!’
‘Waarschijnlijk een bewapende Japanse trawler’, meende de Ouwe
De asdicman en de telegrafist luisterden scherp.
‘Het is geen trawler, maar een torpedobootjager’, stelden ze vast.
Het gezicht van de Ouwe stond zorgelijk. Hij liet meteen van koers veranderen.
Hij had bevel nauwelijks gegeven, of we werden al opgeschrikt door een serie explosies.. De jager had de aanval geopend: hij strooide maar liefs negen dieptebommen uit. De eerste serie viel een eind van ons vandaan, de tweede kwam al dichterbij, derde nog dichter.
Ze ontploften achter ons: de Jap had onze positie niet gepeild, maar gooide zijn bommen op goed geluk.
Er bestond geen onmiddellijk gevaar.
Heel voorzichtig kwamen we boven water. We ventileerden de boot en laadden de batterijen op.
De Ouwe stond het grootste gedeelte van de tijd door zijn kijker te turen. Alles leek rustig
‘Volle kracht vooruit!’ commandeerde de Ouwe. Hij wilde zo gauw mogelijk uit het gevaarlijke gebied verdwijnen.
‘Schip in zicht!’ meldde de officier van de wacht een half uur later.
Het lee een vissersprauw. De Ouwe nam het zekere voor het onzekere, we voeren zo snel mogelijk weg.
14 augustus 1943
Inde vroege ochtend hoorden we in de verte zes explosies van dieptebommen.
‘Ze jagen op ons’, zei machinist Schapenenk tegen van Ballegooy.
‘Misschien zien ze een school vissen voor een onderzeeboot aan’, spotte stoker-olieman Dekkers tegen sergeant-machinist Dijk, die rustig zijn boek verder uitlas.
‘Laat ze gaan, ze pakken ons toch niet!’ bromde hij.
,s Avonds waren we bij de Kangean-eilanden, ten zuiden van de Gedeh-baai. Ik zat weer achter de asdic. Scherp luisterde in naar schroefgeruis. Boven water woedde een zwaar onweer.
Opeens hoorde ik door de koptelefoon een vreemd geluid, alsof het regende. Het geruis bleef aanhouden. Het was doodstil aan boord. Eentonig zoemde het girokompas. Een enkele maal werd de stilte verstoord door het overslaan van de hydraulische pomp in de hekbuiskamer, de pomp, die automatisch hydraulische druk op de roeren zette en de periscoop op pijl hield.
Ik waarschuwde de officier van de wacht. Hij ging naar de commandant.
Opeens zagen we bij het licht van een bliksemschicht het silhouet van een schip met twee masten en een schoorsteen!. Schipper Mey vertelde aan de Ouwe wat we gezien hadden.
‘Weg! Vuile rotzooi!’ bulderde hij
Als een baksteen verdwenen we onder water. We zetten de motoren stil en luisterden.
Weer hoorde ik datzelfde geruis, als van regen. Misschien hadden de jappen een nieuwe manier ontdekt om vijandelijke schepen op te sporen.
‘Periscoop op!‘ commandeerde de Ouwe.
Hij probeerde in het duister iets te ontwaren.
‘Niets te zien’, bromde hij.
Opeens hoorde ik een scherpe fluittoon.
‘Ze zijn aan het pingen, meneer!’ riep ik naar de officier van de wacht, hij kwam juist informeren hoe het ermee stond.
Hij werd lijkbleek ‘Dat bestaat niet!’ zei hij.
Ik hoorde het duidelijk.
‘De scherpe fluittoon komt niet van binnenboord, meneer‘ antwoordde ik.
Iedereen, in welk compartiment hij ook zat, moest het geluid van de schroeven kunnen horen. Ik was de O-21 en de bemanning vergeten en dacht alleen: ‘Het gaat gebeuren we worden geraakt. Na drie jaar krijgen ze ons te pakken!’
Plotseling kwamen de klappen: telkens eerst een lichte tik wanneer een dieptebom het wateroppervlak raakte, daarna een daverende explosie. Vier dieptebommen barstten met een held lawaai uiteen. We zaten midden in de ontploffingen, het moest raak zijn” De bommen ontploften op een diepte dan wij lagen: daarvoor waren we altijd zo bang geweest.
De O-21 schudde, trilde en werd door de kracht van de explosies vijf tot zet meter op en neer gedrukt.
‘Here, red ons!’ Ik zag niets meer, dacht even aan mijn ouders en wachtte op de dood
Er sloeg geen bom door de wand van de boot.
Het werd stil
We keken elkaar aan, niemand zie iets.
Ik wachtte op de volgende aanval. de Jap zou het vast niet bij vier dieptebommen laten, gisteren hadden ze er negen tegelijk gegooid.
Het bleef stil. Het leek de stilte van de dood.
Het duurde wel een half uur, voordat iemand in de centrale zich durfde bewegen. Alleen de commandant en de officieren seinden over en weer wat we moesten doen. Soms fluisterden ze, maar zo zacht dat geen geruis-peiler het kon horen.
‘We komen eruit! ik leef nog! God heeft ons gespaard! dacht ik.
De commandant sloop naar de radiohut en luisterde naar de geruis-peiler .
Niemand sprak. Het enige geluid aan boord was het zachte, eentonige gezoem van het girokompas. In de hekbuiskamer sloeg de hydraulische pomp af en toe over.
Dan schrokken we. Zou de vijand dat niet horen?
De Ouwe bleef in de radiohut. Voor mijn gevoel duurde het uren.
Eindelijk daar was hij.
‘Het grootste gevaar is geweken, we horen geen schroefgeruis meer’, fluisterde hij..
‘Uitkijken klaar in de centrale’. vroeg de officier van de wacht rustig. Zwijgend maakten we ons klaar om naar dek te gaan.
‘Rijzen!’ commandeerde de Ouwe.
De duikroergangers stuurden de boot naar de oppervlakte. Ik hoorde het water klotsen over het dek.
‘Luik open!‘ riep de officier van de wacht. Hij stormde als eerste naar boven. Na hem volgden mijn collega-uitkijk en ik, toen kwam de opperschipper Mey.
Elke streek zochten we minutieus af; bakboord en stuurboord.
De dieselmotoren draaide op halve kracht. Zo maakten ze minder lawaai. de Ouwe wist wat hij deed.
Ik ademde de frisse lucht diep in.
Ik stond aan dek en had de wacht, ik tuurde scherp bakboord af, daarna stuurboord, er was niets te zien.
We voeren we dan weer door de nacht, alsof er nooit een aanval met dieptebommen waren geweest.
‘Koers 155 graden’, beval de officier van de wacht
‘Volle kracht vooruit!’ riep hij door de spreekbuis naar de machinekamer. ‘Ai, ai, Sir’, antwoordde machinist Schapenenk.
We voeren niet Java, maar richting Straat Lombok. De Ouwe wilde zich uit de voeten maken.
‘Schip op ongeveer twee streken bakboord, meneer!’ riep ik opeens .
‘Koers wordt 220 graden, roerganger!’ reageerde de officier van de wacht de prompt
‘Ai, ai, meneer!’ klonk het uit de mond van matroos Meyer.
De Japanners zaten ons alweer op de hielen. De commandant tuurde door zij kijker en bromde in zijn baard.
‘Een rookpluim!’ Schip komt recht op ons a! schreeuwde hij.
Hij liet het schip draaien. We voeren de verkeerde kant uit, het silhouet werd kleiner.
Gelukkig, die waren we kwijt!
‘Al clear!’ klonk het na een minuut of tien.
De Ouwe liet de koers wijzigen. Weer ging het richting Lombok.
We kwamen boven water. Uiterst voorzichtig voeren we in de richting van de straat.
‘Schip in zicht!’ waarschuwde uitkijk matroos De vries. De commandant keer ernaar. Het schip leek een vissersprauw, maar hij vertrouwde het niet.
‘Zakken!’ commandeerde hij. we zakten onder water en luisterden. Er klonk geen schroefgeruis.
Er was die avond geen volledige maansverduistering. dat was onze kans. De officier van de wacht keek door de periscoop. Het silhouet dat de uitkijk had gezien, was verdubbeld. Maar we hadden niets te vrezen: het waren inderdaad silhouetten van vissersprauwen. Kort achter elkaar klonken de commando’s
‘Klaarmaken voor boven water!, ‘Uitkijken gereed!’ ‘Rijzen!’ ‘Volle kracht vooruit!’
20 augustus 1943
We voeren behouden Exmouth Gulf binnen.
Lees het in de episode 7









