Australië
20 augustus 1943
We voeren behouden Exmouth Gulf binnen en meerden af langszij langszij de Ondina, vijfennegentighonderd mijl van Rotterdam! We namen alleen water en brandstof in.
21 augustus 1943
We vetrokken uit Exmouth Gulf en voeren naar Fremantle we werden met muziek binnengehaald.
We meerden af langszij het oorlogsschip Hr. Ms. Tromp. Commandant De Meester hield een gloedvolle toespraak. De man bedoelde het goed, maar van wat hij zei ging over ons heen.
Na de toespraak vertrokken we naar het Amerikaanse onderzeeboot-moederschip, de ‘Pelias’. Daar werden we eindelijk losgelaten. We maakten ons meteen uit de voeten. Zo in onze vette vaarplunje gingen we ongevraagd op stap en verdwenen Fremantle in.
We kwamen in het restaurant ‘Vassie Wassie’ een Maorovrouw met een grote bos zwart haar, terecht.
We bestelden er een koude bier en een borrel. Toen we die naar binnen hadden geslagen, stapten we in de bus naar Perth.
In Perth bleven we verdwaasd rondzwerven. We wisten niet waar we moesten zoeken.
Opeens stopte een vrachtwagen naast ons Luitenant Woldering sprong eruit, achter hem volgde nog een paar.
‘Meekomen, jullie!’, commandeerde hij.
We stapten gehoorzaam in, we misten de moed om ons te verzetten. De vrachtwagen bracht on naar de Pelias. Daar kregen we donderspeech van de Ouwe. Hij had zich vreselijk kwaad gemaakt en de vrachtwagen erop uitgestuurd om ons te zoeken. We kregen twee dagen licht arrest, de onderofficieren drie dagen. ook deze speech ondergingen we gelaten.
We kregen een kooi toegewezen, trokken onze vuile plunje uit en gingen mandiën. Het was een genot om weer eens royaal met water te kunnen zijn, om je scheren en een schoon tropenuniform te dragen.
De Amerikanen aan boord van de Pelias waren erg aardig voor ons.
Australië
Vrijdag 27 augustus 1943
Ik mocht weer passagieren. Eerst zocht ik een hotel: ik had voor een maand hotel geld gekregen. Ik slaagde in Perth. Daarna bracht ik mijn geld naar de bank. Ik had twee maanden kad, (maandbetaling bij de marine) verlof geld en mijn gevaren toelage gekregen, alles bij elkaar zo’n 2500,-
De facteur had niets voor mij en niets voor vele andere opvarenden.
De post was lelijk in de war.
Soms brak me het zweet opeens aan alle kanten uit: een reactie op onze laatste patrouille. Ten slotte kwam ik in King’s park terecht, bij het stadspark van Perth. Ik wandelde naar het oorlogsmonument.
Maandag 30 augustus 1943
Het normale leven aan de wal begon weer. ’s morgens reisde ik van Perth naar Fremantle om aan boord te werken, ’s middags was ik vrij. De O-21 had flink geleden onder de dieptebommen. Deze keef hoefden we niet alles te doen. De ‘State Engine Works’ hielp ons met de machines en het schraap- en schilderwerk werd uitbesteed aan de firma Graysom en Co. we hoefden hier niet bang te zijn voor sabotage, het was een hele rust.
De facteur bracht een Rode-Kruisformulier van mijn grootouders. Hij was bijna vier maanden onderweg geweest en begin mei verzonden. Toen was alles goed, ook bij mijn ouders.
‘Alles lijkt goed in Amsterdam’.
Ook de Ouwe kwam informeren.
Ik schreef diezelfde dag terug. “Beste grootouders. Alles wel. bericht ontvangen. Vooruitzichten uitstekend. Beide gezond? Groet vader, moeder, familie, vrienden. God behoede ons allemaal.
Liefhebbende kleinzoon Wijnand”.
Die middag nam ik een rijles. Ik had in Schotland en in Zuid-Afrika al vaak achter het stuur gezeten. De instructeur verzekerde me, dat ik de volgende dag al examen kon doen. Het examen werd door de politie van Perth afgenomen.
Woensdag 1 september 1943
Het rij-examen stelde niets voor, ik slaagde met glans. Nu kon ik elke dag met de auto heen en weer naar mijn werk rijden. Het hoofdkwartier van de Marine in Perth had gebrek aan chauffeurs en vroegen een vrijwilliger, die in bijzondere gevallen koeriersdiensten kon verrichten of dienstreizen wilde maken met officieren. Het was dé kans om gemakkelijk vervoer te hebben. Bovendien bezorgde het me afleiding. Daarom gaf ik me op.
Vrijdag 3 september tot 5 september 1943
Ik had een lang weekend vrij en reed op mijn gemak naar het Nationale Park. Ik had een kamer besproken in het hotel ‘Yanchep Caves’. Op zaterdagmorgen trok ik met parkwachter Mr. Baily het park in. Terwijl we in de bossen liepen, floot hij een paar keer. Er kwam een prachtige
Kookaburra ( reuzenrijstvogel) uit de bomen vliegen. Het dier ging op mijn arm zitten, het wist dat het wat lekkers zou krijgen. Mr. Baily leerde me de namen van de vogels, de dieren en bloemen.
Maandag 20 september tot zaterdag 27 september 1943
Gerestyen. Klootwijk, Van der Zwan en ik zetten onze commando-opleiding voort. nu onder leiding van de Ouwe en luitenant Woldering.
Er was sprake van, dat we opnieuw naar de Javazee zouden gaan om er spionnen te halen of te brengen en er verkenningen te doen. We deden dezelfde oefeningen als bij Colombo, maar nu kregen we er een Walkie Talkie bij. Het was een hele verbetering: fluisteren door de Walkie Talkie gaf minder risico op ontdekking dan lichtsignalen geven in een donker nacht.
De gedachten aan de nieuwe patrouille vervulde me met zorg. Ik was niet bang en zou natuurlijk doen wat me werd opgedragen. Maar de Jappen wisten nu dat we in de Javazee opereerden. Ze zouden op ons jagen.
Donderdag 2 oktober 1943
De Ouwe keerde terug van Melbourne met een gezicht dat op zeven dagen slecht weer stond. Er werd in Melbourne voorbereidingen besproken voor onze volgende patrouille in Indië. Nu mag een gewoon matroos in de regel niet weten wat de kopstukken bespreken. Maar onze boot was te klein en de Ouwe foeterde zo luid , dat je wel oorkleppen op moest zetten, wilde je niet horen wat er gebeurd was. De vergadering in het hoofdkwartier van Luitenant Gouverneur-Generaal van Nederlands-Indië Van Mook.
Vele onderwerpen werden besproken, maar niet over het eigenlijke onderwerp: het halen en brengen van de spionnen en het doen van verkenningen in bezet gebied werd niet besproken.
Onze Ouwe zat te popelen en probeerde het gesprek daarop te brengen: zijn woorden werden weggewoven. De Ouwe stiefelde achter van Mook aan en kreeg hem bij de kapstok te pakken. Daar begon de ‘kapstokconferentie’. De Ouwe zei dat hij speciaal van Perth naar Melbourne was gevlogen om zijn volgende operatie grondig te bespreken.
‘O ja dat is ook zo’ antwoordde van Mook
‘Komt dat vanmiddag aan de beurt?’ vroeg de Ouwe
Nee, er was geen middagvergadering.
‘Maar…’ begon de Ouwe te sputteren.
Waarop van Mook sprak ‘nu moet je zelf maar zien wat je er van denkt en naar eigen goeddunken handelen. Ik moet gaan lunchen.
Hij haastte zich weg. De commandant van de O-21 aan zijn lot overlatende’
De Ouwe keek hem perplex na, hij barstte bijna van woede. Tenslotte ging hij ook maar lunchen.
Ik was even verontwaardigd als hij. Maar later dacht ik opgelucht: De Ouwe kan de patrouille beter organiseren dan die vakantiegangers in hun rustige kantoor. Die hebben nog nooit op een onderzeeër gevaren.
Oktober 1943- November 1943
Het ging niet zo best met onze O-21. De cylinderdeksels van de dieselmotoren bleken versleten. Ze moesten vervangen. De nieuwe onderdelen moesten uit Engeland komen. Het gelukte het machinepersoneel en de mensen van de State Engine Works één dieselmotor te repareren, ten koste van de andere. We konden nu op één poot varen. Dat was te gevaarlijk om op patrouille te gaan. De Ouwe besloot om nieuwe onderdelen uit Engeland aan te vragen.
Ons verblijf in Fremantle zou daardoor in plaats drie maanden duren in plaats van één maand duren. We korten de tijd met houden van oefeningen met de Nederlandse torpedoboten
‘Tjerk Hiddes en ‘Van Galen’ Ook werd onze commando-opleiding verder bij geschaafd.


Er kwamen steeds meer gebreken aan het licht van de O-21. Het gezicht van de Ouwe stond elke dag zorgelijker. Tenslotte, na de zoveelste reparatie en proefneming, bleek dat de accubatterijen niet meer gemaakt konden worden: ze waren versleten. Ze konden ook niet door andere worden vervangen. Zonder die batterijen konden de electromotoren niet draaien, dus konden we niet meer geruisloos varen. We konden niet meer op patrouille gaan. We moesten, zodra de dieselmotoren klaar waren, via Colombo en het Suezkanaal terug naar Schotland en de hele bemanning met hem.
Op de avond voor ons vertrek reed ik voor het laatst met de auto van Fremantle naar Perth
Het was laat geworden en het was donker. Ik had haast. Met een vaart van 60 mijl per uur gierde ik door de straten van de stad. Ze waren leeg en donker, want ook in Australië moest men ‘verduisteren’, opeens begon er een sirene achter me te loeien. ‘Luchtalarm!’ flitste het door me heen.
Toen bedacht ik, dat is onmogelijk was, de Jappen zouden hier niet komen bombarderen. In de huizen langs de straat gingen de lichten aan, mensen keken nieuwgierig naar buiten.
Ik bleef doorjakkeren, al vond ik alles wel wat vreemd.
Opeens zat ik gevangen in een groot zoeklicht.
‘Deksels, dat alarm is voor mij bestemd!’ dacht ik
Meteen stoof een politiemotor voorbij. Het ding stopte 50 meter voor mijn auto. De agent zette hem dwars op de weg. Ik trapte op de rem. Mijn auto kwam gierend tot stilstand.
‘Rijbewijs en nummerbewijs, please!’ snauwde hij.
Ik gaf ze hem
‘In orde!’ zei hij, ‘Maar je reed veel te hard, zeeman!’
‘Sorry’, ik had het niet in de gaten’, antwoordde ik.
Hij pakte zijn boekje en zette me op de bon.
‘Kan ik meteen betalen?’ vroeg ik.
Hij schudde zijn hoofd “Impossible!’ zei hij kort af.
‘Dan hoeft het niet meer, ik ga gauw weg’, antwoordde ik
‘Wanneer?’ snauwde hij.
‘Mag ik niet vertellen. Dienstgeheim’
‘Wanneer?‘ herhaalde hij kwaad.
Ik schudde mijn hoofd.
Hij bleef aanhouden en ik bleef nee schudden.
Tenslotte duwde hij mij de bon in handen en liep met een hoofd als een boei naar zijn motor.
‘Good night!’ groette ik lachend.
Ik startte de motor en reed weg.
Hij keek me met open mond na.
Terug naar Schotland
Zondag 28 november 1944
Lees het op de laatste periode 8 op mijn website
www.dornierdo24k.nl





