42. De succesvolle Onderzeeboot O-21 in de 2e wereldoorlog 1940-1945


Gibraltar

14 Maart 1941

We werden voor de boeg geroepen, want de Engelse captain-commander van de achtste onderzeeflottielje kwam ons welkom heten. Hij voorspelde dat we ook nog wel eens in de Middellandse Zee zouden patrouilleren, maar dat duurde nog even. Hij wenste ons een succesvolle periode toe.

Er viel heel wat op te knappen aan onze O-21. Het interieur was door de aanval met dieptebommen flink beschadigd. Alles moest grondig gecontroleerd worden, of er onzichtbare was opgelopen. We werkten gestaag aan de O-21. Gibraltar had een heerlijk klimaat, ik werkte meestal in mijn witje.

Anti-onderzeeboot ‘Haarlem’

21-25 maart
Elke morgen voeren we met de anti-onderzeeboot trawlers ‘Erin en ‘Haarlem‘ uit voor een oefentocht. Wij dienden als doelwit voor de jagers en zij als doelwit voor ons. We schoten met oefentorpedo’s. Die waren voorzien van een ‘blaaskop’ en bleven na uitgelopen te zijn aan de oppervlakte drijven. We moesten ze aan het eind van de oefening oppikken, zodat we ze de volgende keer weer konden gebruiken.

25 maart 1941
We gingen een dag niet op oefentocht, maar moesten het schip een grote schoonmaakbeurt geven. De commander-in-chief van Gibraltar, Lord Gort, zou een inspectietocht houden langs de afgemeerde schepen en zijn speciale aandacht wijden aan de onderzeedienst.

Er was genoeg te zien: de haven lag stampvol schepen. Het Britse slagschip “Repulse” lag voor anker met vlak achter haar het vliegtuigmoederschip “Ark Royal” afgeladen met jachtvliegtuigen. Verder lagen er nog drie Engelse onderzeeboten, een slagschip, een vliegtuigmoederschip, mijnenvegers, motortorpedoboten, jagers, corvetten, torpedolanceerboten en een groot aantal koopvaardijschepen.
Men zei dat er wel dertigduizend soldaten en matrozen in de stad waren.

HMS Ark Royal (British aircraft carrier,
Brits Slagschip Repulse

Onderzeeboot-moederschip H.M.S. ‘Maidstone’

28 maart 1941
We werden overgeplaatst van de barak naar het onderzeeboot-moederschip H.M.S. “Maidstone’
Onze boot kreeg zijn laatste onderhoudsbeurt. Er werden nieuwe torpedo’s aan boord gehesen. Alles was nu klaar voor de volgende patrouille.

De sirenes loeiden: luchtalarm. Er moesten minstens drie vliegtuigen aar Gibraltar onderweg zijn. We moesten direct de boot klaar maken voor onder water en elk compartiment afsluiten. Zodra de aanval begon, moesten we zakken. Midden in de haven.
Er gebeurde niets!

Djambi’ Rotterdamse Loyd

Convooien beschermen

3 april 1941
Eindelijk vertrokken we . Langzaam voeren we de straat van Gibraltar uit. Achter ons volgden een convooi : vierentwintig koopvaardijschepen achter elkaar, waarvan de ” Djambi’ van de Rotterdamse Loyd de grootste was. Ze werden omzwermd door oorlogsschepen, terwijl er voortdurend Engels jachtvliegen boven vlogen. De straat was gevaarlijk: er lagen altijd vijandelijke onderzeeboten voor de haven.

En paar dagen later werd er alarm gegeven: men had een oorlogsschip gesignaleerd. We maakte ons schip meteen ‘klaar voor onder water’ en brachten de torpedobuizen gereedheid. maar er gebeurde niets: het schip bleek een geallieerde oorlogsbodem.
Allemaal kouwe drukte om niets!’ schold machinist Molendijk.
De Ouwe
hield ons voortdurend op de hoogte van het nieuws. Het convooi, waarin onze O-23 voer, was s’ nachts aangevallen door Duitse onderzeeboten. Er zouden verschillende schepen getorpedeerd zijn.
‘Ze ziten maar een paar dagen voor ons, het kan ons ook overkomen’, waarschuwde hij.

Op de vijfenveertigse breedtegraad moesten we afscheid nemen van ons Convooi. We kregen een escortschip mee gingen op zoek naar het Convooi dat we terug naar Gibraltar moesten begeleiden.

21 april 194
We voeren Gibraltar weer binnen en meerden af langszij ons moederschip, de Maidstone

22 april 1941
We hadden weer ‘normale’ dienst. De sfeer in Gibraltar was grimmiger geworden. Drank maakt loslippig en aan boord van de Maidstone is ook bier te koop. Er zaten spionnen in de stad waarschuwde de Ouwe.
Opeens klonk er een harde slag, we keken allemaal naar de ingang van de haven en zagen hoe een koopvaardijschip van 8000 ton vlak achter de boeg opengereten werd.
‘Kikvorsmannen!’ mompelde sergeant machinist Cuypers. De officier van de wacht vertelde “Er zat waarschijnlijk een akoestische mijn ( een soort tijdbom) aan de boeg. Die hebben kikvorsmannen er vannacht aangekleefd. Ze springen in Spanje, bij het dorpje Linea, in zee en zijn uitgerust met een aqualong. Daarmee kunnen ze twee uur onder water blijven, net lang genoeg om hierheen te zwemmen, de mijn te bevestigen en terug te keren.

2 Mei 1941
’s Middags had ik een trawler voorbij zien varen met de Engelse vlag uitgespreid over het dek. Onder die vlag lagen gesneuvelde. Ze werden buitengaats gebracht en daar met ‘een, twee, drie, in Gods naam’ over boord gezet. Marinemensen die hun zeemansgraf kregen.

We voeren al een paar dagen op zee en moesten weer een Convooi tot bij Engeland brengen. Opeens
werd er alarm gegeven. We zouden worden aangevallen door vijf Italiaanse onderzeeboten. Onmiddellijk werd de O-21 in staat van paraatheid gebracht. ook op de koopvaarder in het Convooi werden kanonnen bezet. De lucht was bewolkt: vijandelijke vliegtuigen zouden ons gemakkelijk kunnen vinden.

Een koopvaarder begon opeens te schieten. Ook daar stonden dag en nacht mensen op de uitkijk en één van die uitkijken meende de periscoop van een onderzeeboot te hebben te zien. Er werd meteen alarm gegeven en de andere koopvaarders begonnen ook te vuren.
Het was een geweldige blunder. Hel bleek echter loos alarm. De ‘pesicoop‘ was de mast van een gezonken schip!

Britse slagkruiser H.M.S. Hood

Intussen gebeurden er de vreselijke dingen. Op 26 mei werd het grootste Engelse schip, de ‘Hood’ tot schinken gebracht door een geluksschot van de ‘Bismarck’, Hitlers pronkschip. op alle schepen ging de vlag halfstok. Dat gebeurde trouwens eens per week, want elke week sneuvelde er minstens één geallieerde zeeman.

“Bismarck”

Winston Churchill, Engelands eerst minister, zwoer wraak. De Bismarck moest en zou zinken. Hij liet de jacht inzetten door onderzeeboten en door de vliegtuigen van het vliegtuigmoederschip, de ‘Ark Royal’.
Op 26 mei ging de Bismarck naar de kelder, nota bene vlakbij onze Convooi-route. Als we een paar dagen later waren geweest, hadden we aan de jacht kunnen deelnemen. De Ark Royal werd met uitbundig gejuich ontvangen. de vlaggen gingen in top, Gibraltar vierde feest.

Mei 1941

Voor het eerst de “Kikkersloot’ in
Misschien gaan we op patrouille in de Middellandse Zee, opperde mijn maat hoopvol, terwijl hij een granaat in de koker voerde. Ik knikte maar eens. Het was bloedheet aan boord en ik had het veel te druk met het weg wegwissen van mijn zweet om woorden te verspillen. Maar mijn gedachten stonden niet stil.
De O-24 was al op patrouille. Ze had zelfs bij Genua een vijandelijke schip tot zinken gebracht. Het was eerste succes van de ‘Drie Musketiers’ zoals we de O-21, de O-23, en de O-24 onder elkaar noemden.
Een paar dagen later vertrok de O-23 ook naar de Middellandse Zee. We keken haar een beetje jaloers na.
‘En nu wij’, zei de Ouwe.

Op 16 juni 1941 was het eindelijk zover. De O-21 lag klaar voor vertrek en we gingen inderdaad de Middellandse Zee in.
Opeens werd er luchtalarm gegeven. Italiaanse vliegtuigen vielen Gibraltar aan. Maar ze durfden niet te duiken, het afweervuur was te hevig. Ze lieten hun bommen vanaf grote hoogte vallen. Ze kwamen neer op het grensdorpje La Linea. Het werd zwaar beschadigd, er vielen zes doden en tientallen gewonden.

En in het Oosten, bij Kreta, was een zware slag aan de gang, die al dagen duurde. Daar regende het Duitse bommen en dwarrelden Duitse parachutisten als sneeuwvlokken uit de hemel. De burgerbevolking van Kreta was nergens veilig en zat als ratten in de val. Net als wij destijds in Walcheren

De Ouwe wilde zijn patrouilleterrein tussen Napels en Sardinië zo spoedig mogelijk bereiken. Op 18 juli, de tweede dag na ons vertrek, kregen pech. Eén dieselmotor viel uit, zodat we op één poot verder moesten varen.
De Ouwe mopperde danig. want we schoten nu lang zo hard niet op. Maar mijnheer Ohr en zijn machinisten, deden wat ze konden. Het mankement was gelukkig niet ernstig en was spoedig verholpen.

Om vier uur ’s morgens gingen we onder water. Het leven was omgekeerd, de dag was nacht en de nacht was dag. Het moest even wennen. Wat slapen betreft, maakte het niet veel uit.
Zodra we onder water waren, was het rustig aan boord. De dieselmotoren bromden niet meer, we voeren electrisch. De nachtverlichting brandde.

Om tien uur ’s avonds werd het sein ‘leegmaken’ gegeven en kwamen we weer boven water. We lagen ten zuiden van Napels op de Convooiroute Italië-Noord-Afrika. De diesel motoren werden weer bijgezet en de batterijen opgeladen.

gebruik van een Sextant

Luitenant ter zee Elbers nam een sterbestek om onze positie te bepalen. Een sterbestek maak je met een Sextant. Om vier ’s morgens gingen weer onder water en werd de boot afgetrimd. De rust keerde terug aan boord.

Opeens riep de officier van de wacht, toen hij door de periscoop had gekeken, de commandant. De Ouwe tuurde nu zelf de watervlakte af, vermoedelijk een vrachtschip en een tanker‘, fluisterde hij. Iedereen was klaar wakker, het was tenslotte ons eerste contact met de vijand.

De Ouwe keek opnieuw door de periscoop. Hij schudde zijn hoofd. ‘Het zal niet meevallen, we kunnen er niet goed bijkomen’, zij hij.

Onmiddellijk na de aanval veranderden we van koers en slopen wij weg van het terrein van actie.

In de aanval
Dinsdag 29 juli
Het was ’s middags om zeven minuten voor vier. Ik lag te slapen in mijn kooi. Opeens schrok ik wakker van een hevig gesis. Ik vloog overeind ‘wat is er? Wat gebeurd er? vroeg ik. We vallen een Convooi aan. We hebben vier torpedo’s afgevuurd, de laatste bleef zitten. En nu koppen dichten tellen!.
…..eenenvijftig, tweeënvijftig… ‘ prevelde Meertens, de konstabel en bottelier.
ik begon mee te tellen. Er ging één minuut voorbij, twee minuten, drie minuten.
We hoorden niets. ‘Vast mis!. bromde ik spijtig.
Opeens, na nog een dertig seconden, klonken er twee harde explosies.
‘Raak! We hebben ons eerste schip te pakken!’ juichten we.
Een ongelofelijke gewaarwording, een ongelofelijke ervaring. Een schok ging door ons heen.

Wat was er tijdens mijn slaap gebeurd?
De officier van de wacht ontdekte om één uur een rookpluim. Hij riep de Ouwe erbij. we kropen dichterbij. Het was een Convooi van vijf schepen, drie jagers en vliegtuigen. We hebben er meer dan drie uur achteraan gejaagd. Heb je dan niets gemerkt, ouwe snurker?’ vroeg Klaas de Boer. ik schudde spijtig mijn hoofd. Ik had heel wat gemist.

Opeens klonk schroefgeruis. Het werd snel luider. Het was van twee Italiaanse torpedojagers. Zij moesten de bellenbanen van onze torpedo’s ontdekt hebben. Kort daarna explodeerden er met donderend geweld vier dieptebommen.. Ze waren vlakbij onze boot terecht gekomen. De boot schudde en sidderde. De dieptebommen bleven vallen. Ik hoorde het schroefgeruis van de jagers, het was alsof de oordeelsdag was aangebroken. ‘O God bewaar ons’ fluisterde ik. De Italianen bleven jagen.

Inmiddels had de commandant op tachtig meter diepte reeds opdracht gegeven om vanuit de regeltank water te pompen. De Ouwe bleef koelbloedig. Hij wachtte een dieptebomexplosie af en stelde dan onmiddellijk de pomp even in werking, zodat de vijand het niet zou horen. Het lukte en de boot kon op negentig meter weer worden opgevangen. Een vreemde angstige gewaarwording om van periscoopdiepte praktisch aan één stuk door naar negentig meter te zakken met de nodige graden helling voorover! Ons hart had ervan kunnen begeven. In tussen gingen de explosies door. We hadden er zesentwintig geteld. De chef-kok hield zijn potlood klaar om de zevenentwintigste aan te strepen. maar dat hoefde niet meer. De torpedojagers dropen af. We waren buiten hun bereik, ze konden ons niet meer terugvinden.

op3 augustus was het weer feest. We voeren in de buurt van Sardinië. De commandant ontdekte een aantal schoeners. Ze werden gevolgd door twee jachtvliegtuigen. Er waren ook watervliegtuigen en bommenwerpers in de buurt. Een aanval was te gevaarlijk. Maar één schoener, een driemaster, bleef wat rondvaren en gedroeg zich verdacht. De commandant was bang dat hij iets tegen ons uitbroedde en besloot daar een eind aan te maken.
In de aanval’, commandeerde hij.
De torpedo’s werden klaargemaakt tot pen uit en de roerganger manoeuvreerde de boot in aanvalspositie. Wij bleven allemaal rustig op onze plaats.
‘Vuur!‘ klonk het. Met een zucht verliet een torpedo de torpedobuis. Wij begonnen weer de seconden te tellen. Er volgde geen explosie. De schoener had te weinig diepgang, de torpedo was er onderdoor gegaan.
We gingen snel naar de oppervlakte. Het luik werd opengeklapt, de kanonbemanning vloog naar dek. Binnen luttele seconden waren we klaar om te vuren. Het eerste schot losten we op twaalfhonderd meter afstand. We kwamen al schietend dichterbij en schoten in totaal vierentwintig granaten af. Ons schip dreunde bij elk schot. De schoener stand al gauw in lichterlaaie. We hadden misten zeven keer raak geschoten en volgens de commandant waren er vijf granaten in de machinekamer terecht gekomen.
Vat vuren’ , Dat betekende dat er geen granaten meer naar boven hoefden.

Intussen was de toestand voor ons gevaarlijk geworden. We zaten ongeveer twintig mijl van Cagliari. Ze moesten daar onze kanonnen hebben gehoord en ze konden de rook van de brandende schoener zien. Daarom liet de commandant de boot zakken en gingen we ervandoor.
‘Als er overlevenden zijn, redden ze zichzelf wel,, we zitten vlakbij de kust’. zei hij kortaf.
( Het schip was een Italiaanse Driemaster Schoener van ca. 5000 ton Beschadigd)

Onze Bloedvlag

Toen we Gibraltar binnenliepen, lage de O-23 en de O-24 in de haven. Ze hadden hun eerste patrouille in de kikkersloot ( Middellandse Zee) ook achter de rug. De O-23 had, net als wij, twee schepen tot zinken gebracht, de O-24 een tanker en een motorschoener. De Drie Musketiers hadden dus hun best gedaan.

Diezelfde avond hoorden we slechte berichten. Een Engels convooi had tussen Engeland en Gibraltar dertien schepen en twee torpedobootjagers verloren en in de afgelopen drie maanden waren er vier onderzeeërs van ons flottielje niet van patrouille teruggekeerd.

Sir Winston Leonard Spencer Churchill

Terwijl we op patrouille waren geweest, was het V-teken ingeburgerd. Churchill was er in maart 1941 mee begonnen, de reactie was toen vrij lauw geweest. Maar nu was het door iedereen overgenomen.
Muren waren ermee volgeklad, kranten stonden er vol van en je kon geen foto van Churchill zien, of hij stond erop met zijn eeuwig sigaar in de mond en wijs- en middelvinger in V- vorm opgestoken.

Radio Oranje maakte er zelfs een versje van:
“vooruit, voortaan doet allen mee.
Schrijf ‘V’ waar ge kunt vinden
en vormt twee vingers tot een V
bij groeten van uw vrienden.
Dan word ons vaderland weer vrij!.


We bleven ditmaal drie weken in Gibraltar.
Voor wat extra’s lapten we een pond, waarvoor de bottelier meer ingrediënten voor de rijsttafel kon inslaan.
In deze drie weken werd onze Bloedvlag geboren. Hij was Geel; in het midden stond een Rode Nederlandse Leeuw bovenop een torpedo. Verder werd er een zinkend schip op geschilderd. Voor elk schip dat we tot zinken hadden gebracht, wilden we een V-teken in de vlag zetten. We konden dus meteen met één V-teken beginnen.
Voor de schepen die geraakt waren, zetten we geen V in de vlag.