Zondag 28 november 1943
De hele bemanning was present. Alles was zeevast gesjord, de luiken waren gesloten op het luik boven het verblijf van de ‘Gouden Bal’ ( de scheepsonderofficieren)
‘Voor en achter!’ klonk uit de mond van opperschipper Mey. De trossen werden losgegooid en opgeborgen. Langzaam voeren we de haven van Fremantle uit: zondagavond was de beste tijd om ongemerkt te vertrekken. Ik stond nog een tijd de luikopening en zag Australië verdwijnen. Ik zou er waarschijnlijk nooit terug keren.
Ik voelde nog even in mijn zak. Daarin zat de bon voor het te hard rijden: ik zou hem als souvenir bewaren, betalen kon ik hem niet meer.
5 december 1943
We meerden af in de haven van Colombo en werden ondergebracht op de Plancius. De ratten tierden er nog welig en stonk er nog altijd..
We bleven ruim drie weken in Colombo. We hadden veel vrije tijd. Ik zocht mijn bekenden van een half jaar geleden op, ging ’s zondags naar de Wolvendaalkerk en probeerde nog zoveel mogelijk van Ceylon te zien.
In de bossen woonde een schoenmaker, die voor vijf roepia’s (ongeveer drie gulden) sandalen op maat maakte van oersterk leer. Ik kocht twee paar.
30 december 1943
De trossen werden losgegooid en ingehaald. Voor de laatste maal stoomden wij de haven uit lieten we het prachtige eiland Ceylon achter ons liggen. Een half jaar lang was Colombo onze basis geweest: het betekende een enerverend deel van ons leven. Aan Colombo terugdenkend blijf ik altijd Straat Malakka verbinden.
31 december 1943
We voeren tussen Ceylon en Aden. Om tien voor twaalf ’s avonds gingen we onder water. We bleven flink diep, periscoop naar beneden, motoren gestopt, liggen.
Om de O-21 heerste absolute stilte. In de boot zaten we om de tafel. Er stonden pannen op met warme wijngroc. De telegrafisten hadden de radio aan en luisterden naar bijzondere berichten en toespraken. Klokslag twaalf werd er op scheepsbel geslagen. Ik zat stil en telde de slagen.
Hoe vaak had ik niet ergens in de boot doodstil gestaan en geteld? Maar dan wachten op een explosie van een torpedo.
Twaalf! we hieven onze mokken en dronken elkaar een gelukkig 1944 toe.
De Ouwe hield een korte toespraak. Zijn klonk ernstig, toen hij het had over onze gevallen kameraden, over onze familie in het vaderland, over eigen onze belevenissen en 1943.
‘Moge God ons in 1944 vrede brengen, zodat we het volgende Oud en Nieuw thuis kunnen vieren’. zei hij ten slotte. We klonken allemaal met hem.
1 Januari 1944
Om één uur ’s morgens kwamen we weer boven water. We stoomden met een vaart van 10 mijl per uur op Aden af. We moesten voortdurend op onze qui vive zijn: er zwierven vijandelijke onderzeeërs in de Indische oceaan.
Het weer werd slechter. Er streek een gure wind over het water en we kregen met zware zee te maken.
Nog onverwachts zagen we het Arabisch gebergte aan de horizon opdoemen. In de golf van Aden werd het rustiger. Langzaam voeren we de voorhaven, Ras Marshigh, binnen en meerden af
Vanuit Aden voeren we Straat el Mandeb in. Het water was er rustig en er stond een koele wind. Ik had uitkijk en moest een warme jas aantrekken. Links passeerden we Frans Somalieland en Eritrea, rechts strekte zich Arabië uit.
We voegden ons bij een groot escader oorlogsschepen van de Britse vloot, dat moest ook wachten. Links en rechts van ons lagen slagschepen, vliegdekmoederschepen, jagers en de geweldige “Monitors’ ( enorme kanonneerboten bestemd om kusten te beschieten) Vergeleken bij al die reuzen was de O-21 maar een notedopje.
Veel tijd voor overpeinzingen had ik niet. Er kwam ons een schip tegemoet.
‘Jongens, het is een Hollander!‘ schreeuwde sergeant telegrafist Appie Bouw.
‘Zijn er nog Mokummers aan boord?’ vroeg ik. Een echte Amsterdammer brulde met de handen voor de mond:
‘Joa, die sain er. Wat sou je segge van sulke grote painten? Hij maakte een breed gebaar. Er ging een gejuich op.
In Port Said meerden we af voor het Engelse Marinegebouw. We bleven er vijf dagen liggen en werden ondergebracht in een oud gebouw in de stad.
Er was in Port Said genoeg te beleven. Alles wat verboden was kon je er doen als je daar behoefte aan had. Je zag er alle mogelijke landslui: Egyptenaren, Arabieren, negers van vele nationaliteiten, Fransen, Engelsen, Hollanders, Italianen, Grieken en zo maar door. Het mooiste vond ik de moskeeën.
We verlieten Port Said en zetten koers naar Malta. Na drie dagen varen kwamen we bij het eiland Kreta. Het was nog door de Duitsers bezet. Daarom gingen we onder water. We moesten voortdurend op onze hoede zijn voor vijandelijke vliegtuigen.
Ongeveer half Januari 1944 bereikten we Malta. We meerden af in Valetta. Vanuit zee gezien zag je alleen maar zwaar bewapende wallen. Er lagen veel schepen: Yoegoslavische, Italiaanse, Engelse, Amerikaanse, Griekse, Nederlandse. Veel grote en kleine gebouwen langs de haven waren beschadigd of helemaal in puin gebombardeerd. We bezochten ook de St. John’s Cathedraal. De enorme gewelven, bogen, wanden en pilaren waren er beschilderd met Bijbelse figuren. De vloer was gedeeltelijk bedekt met zware tapijten. Waar die ontbraken, kletterden onze schoenen op het marmer; dat klonk akelig in de stilte. Een priester lag geknield voor het fijn bewerkte hoogaltaar, dat door zeven enorme kaarsen werd verlicht, koorknapen zongen een eentonig lied. We keerden terug naar Valetta. De stad lag achter de dikke wallen waarop we keken vanuit zee. Het schitterende operagebouw had een voltreffer gekregen. We bekeken er de ‘Chapel of Bones’. Daarin lagen langs alle muren en in gaten duizenden doodsbeenderen, men had ze verwerkt tot de meest fantastische figuren.
Toen we de haven van Valetta verlieten,, voegden we ons bij een convooi. Bestond uit vijfenvijftig koopvaardijschepen en werd beschermd door een torpedojager, zes corvetten en de O-21. De koopvaarders zelf waren samen bewapend met 500 vuurmonden. We voeren langs de Afrikaanse kust.
Zaterdag 5 februari 1944
We verlieten het convooi en voeren de haven van Gibraltar binnen. Er lag een Rode-Kruisformulier voor me van de familie Strijbos.
Mijn ouders maakten het goed, men vroeg of ik iets van hun zoon wist: hij was hofmeester. Zij hadden al geruime tijd niets meer gehoord.
Ik had hem in Colombo ontmoet en stuurde een telegram dat hij het goed maakte.
Ook de ouders van min oude maat Nico van Meel vroegen naar nieuws en kregen van mij een telegram. Weer een paar gelukkige ouders in Amsterdam. Ook in Gibaltar bleven we vijf dagen liggen. Alles was er nog bij het oude.
Donderdag 10 februari 1944
We verlieten Gibraltar en kregen een escorte mee tot we de Straat van Gibraltar door waren en open zee hadden bereikt.
We hadden zeven Engelandvaarders aan boord: ze hadden via België, Frankrijk, Spanje en Portugal Gibraltar weten te bereiken. Ze vertelden hoe de Moffen huishielden in de bezette gebieden. Hun verhalen maakte me somber.
Eenmaal op zee moest de O-21 alleen verder. De dieselmotoren draaiden op have kracht en we keken dag en nacht scherp uit. We bereikten veilig de Engelse zuidkust. Voor de achtste keer passeerde ik Cape Lands End en voer ik over de Ierse zee. En voor de achtste keer was het weer er slecht.
De Hebriden kwamen in zicht, we voeren rond de Noord op Scapa Flow aan en vandaar Dundee.
Op 22 februari 1944 meerden we af langszij het King George V-dok. Van hier waren we onze reis ook begonnen. We kregen een warm onthaal. Ik was terug in mijn geliefd Dundee!
De grote teleurstelling
Donderdag 24 februari 1944.
Aarzelend ging ik het hospitaal binnen. Het hart bonkte me in de keel. Ik trof zuster Craig in haar kantoortje
‘Wijnand!’ Je leeft nog!‘ riep ze. Ze sloeg haar handen ineen.
Het was dit hospitaal waar Wijnand lange tijd had gelegen met difterie, voordat zijn lange reizen op de O-21 begon.
Wijnand kreeg een verkering met zuster Irene, zijn lievelingsverpleegster het werd een echte verkering en zij zouden elkaar blijven schrijven en dat deed Wijnand altijd trouw, maar ook Irene schreef Wijnand haar brieven, totdat de brieven van Irene niet meer kwamen. Wijnand heeft zich het laatste jaar zorgen gemaakt over hun contacten, opeens kreeg hij geen brieven meer van Irene.
Nu hier op 24 februari 1944, moest hoofdzuster Craig vertellen aan Wijnand vertellen dat hij werd dood gewaand was, en Irene wist niet beter, of Wijnand was gesneuveld. Zij Irene kreeg een ander contact met een Engelse piloot van een bommenwerper, zij trouwden en kort na hun trouwen is haar piloot neer geschoten en gesneuveld.
Dit moest Wijnand wel even verwerken zijn Irene wist niet beter en trouwde een Engelse piloot.
Vrijdag 25 februari 1944
‘ Morgens deed ik zwijgend mijn werk. Ook de andere hadden weinig praats: ze hadden een zwaar hoofd van het feestvieren van de vorige dag. Daardoor merkte niemand iets bijzonders aan me. We hoefden aan boord alleen de boel op te ruimen. De O-21 moest naar de werf om grondig gerepareerd te worden. Het kon een hel tijd duren, voordat we weer konden varen.
Zaterdag 26 februari 1944
’s Middags na het werk kwamen Van der Zwan, Klootwijk en Geresteyn bij me. ‘Waar heb je toch gezeten? Weet je wel, dat iedereen in Dundee denkt dat je dood bent? vroegen ze.
Ik knikte. ‘Dat sprookje heeft Irene verteld’, antwoorde ik.
‘Je meisje!‘ riep van der Zwan.
‘Ze is mijn meisje niet meer, ze is met een ander getrouwd’, antwoorde ik stroef.
Ze moesten het toch ééns weten.
‘Wat beroerd voor je’, zei Klootwijk
‘Maar je blijft er toch niet om kniezen? Ga mee naar het Holland House.
Daar is een gezellige avondje. iedereen vraagt naar je’, drong Geresteyn aan.
Ik aarzelde even. ‘Oke!’ zei ik toen.
In het Holland House heerste het gezellige geroezemoes van altijd. Ik werd met gejuich begroet. Mijn schouders deden op den duur pijn, zo dikwijls werd erop geslagen.
Iedereen zei zo ongeveer hetzelfde: ‘Kerel’. wat fijn dat je nog leeft! Kom eens gauw langs!’
In de pauze hoorde ik opeens roepen: “Hai Wainand’ Daffy en Nessy stoven op me af, ze waren hier met twee Hollandse jannen. Ze grepen ieder een hand van me en pompten die, alsof hij eraf moest. Ik lachte maar eens. Al die belangstelling deed me goed.
Ik hoorde er weer bij!
Zondag 27 februari 1944
Ik ging voor het eerst weer naar het oude Protestantse kerkje en luisterde naar een Hollandse preek. Ook hier trof ik weer oude bekenden, die verrast opkeken en blij waren, dat ik nog leefde. Ik dronk na de dienst koffie bij Hollandse kennissen. ’s Avonds ging ik naar de community-singing in een bioscoop die speciaal voor de zondags ronddolende militairen was opengesteld en waar na het zingen van bekende liederen uit deze tijd, de dominee een slotwoord hield.
Daar ontmoette ik vele Schotse kennissen. ‘leef je nog! We dachten dat je gesneuveld was!‘ riepen ze ook al.
Ik ging met een familie mee naar huis. Moe en voldaan keerde ik terug naar de ‘base’, zoals we de kazerne noemden.
Ik voelde me weer thuis in my dear old Scotland en Bonny Dundee.
Maandag 28 februari 1944
We gingen weer naar de O-21. de bemanning stelde zich aan dek op om afscheid te nemen.
‘En dit is dan het einde’, dacht ik weemoedig toen we uiteen gingen. We konden onze trouwe kameraad O-21 waar we bijna honderdduizend mijl mee hadden gevaren en waarop we alle lief en leed hadden gedeeld, moeilijk loslaten.
De ouwe ging van boord vanwege zijn leeftijd en werd commandant Onderzeedienst.
Ik vroeg overplaatsing en wilde schrijver worden.
Die middag reisde ik naar onze oude pleisterplaats Pitlochry. Het was al schemerig toen ik op het oude stationnetje aankwam en mij naar Mac Hardy’s Guesthouse begaf. De vier vrolijke ‘meiden’ verwelkomden me als een eigen familielid. Ik zat weer bij het vuur in de gelagkamer en kreeg een whisky van het huis aangeboden. Alles was er nog net zo, als drie jaar geleden, toen ik er voor het eerst was.
Wachten op de bevrijding
Zodra ik terug was van verlof, ging ik op zoek naar een kosthuis. Ik slaagde bij Gean Duncan, en weduwe., Een goede vriend van me, torpedomaker Henk Schouten, had mij aan haar adres geholpen en me voorgesteld. Ook Henk was weer teruggekeerd na zijn omzwervingen bij de marine in deze oorlog en had en het er levend afgebracht. ook hij was een geluksvogel, vooral als men bedenkt, dat duizenden om ons heen zijn gesneuveld.
Gean woonde in een souterrain. Ik moest eerst een stoepje af en dan kwam dan op een plaatsje, dat van de weg gescheiden was door een hek, 7 South Taystreet in Dundee.
Ik had geweldig geboft met mijn kosthuis. Gean beschouwde Dick en mij als ‘haar jongens’, waar dan ook Henk Schouten nog bij hoorde. Zij vergat geen van ons. Mrs. Ray, een zeventigjarige vrouw die bij haar woonde, stopte onze sokken. Ze stond altijd klaar met thee, we mochten bij haar eten als we vrij waren. Ik zal weggedoken in het hoekje bij de haard en ik speelde ook wel eens op de piano in het voorkamertje. Mijn kosthuis werd een echt tehuis voor me.
Ik stelde me ook weer beschikbaar als chauffeur. In dienstauto’s doorkruiste ik het land van Noord naar Zuid en van Oost naar West.
Ik haalde een vrachtauto uit de Bedfordfabriek in Londen en bracht hem naar Schotland. Zo werd hij meteen ingereden. Verder had ik veel vrije tijd en op vaste dagen verlof.
Ik kon nu eindelijk zonder reserve vrienden maken, want ik hoefde niet meer bang te zijn, dat ik over een paar weken uit moest varen en misschien niet terug zou komen. Ik leerde Schotland beter kennen dan dat ik Nederland gekend had en voelde me soms meer Schot dan Nederlander.
20 april 1944
Onze beide commandoploegen zouden worden onderscheiden met het Bronzen Kruis. De ouwe had hem tijdens onze terugtocht het Verre Oosten aangevraagd.
Dus vertrokken de Ouwe, Woldering, Geresteyn, Klootwijk, Van der Zwan en ik per trein naar Londen. De reis duurde 12 uur.
We werden naar het buitenverblijf van de koningin gebracht. Er waren meer militairen, uit verschillende onderdelen.
We stonden allemaal keurig in de houding aangetreden in de tuin voor het huis. De koningin was er al, maar Prins Bernard liet op zich wachten. Hij stond nog met een paar officieren te praten. Het gezicht van de koningin werd steeds strakker.
‘O wee’, dacht ik ‘Als wij Hare Majesteit lieten wachten, zou dat ons minstens een paar dagen licht arrest kosten’.
‘Waar is Bernard?‘ riep de koningin.
En toen dat niet hielp, klapte ze hard in de handen. ‘Bernard, waar blijf je?
Prins Bernhard kwam uit het huis uitrennen
‘Ja Moeder, hier ben ik! Ik kom er aan!‘ riep hij.
‘Matroos eerste klas Wijnand Claes!‘ klonk het. Keurig in het buitenmodel uniform stapte ik naar voren, ging in de houding staan en salueerde drie tellen.
Vice-admiraal Termijtelen las de mutatie voor ‘…. als opvarende van onze onderzeeboot O-21 blijk gegeven van moed, voortvarendheid en koelbloedigheid bij het uitvoeren van een gevaarlijke opdracht in augustus 1943 in de Nederlands-Indische Archipel.’
De koningin spelde me de onderscheiding op de borst, en schudde me de hand en sprak: ‘Ik feliciteer u hartelijke met het aan u voor de tweede maal toegekende Bronzen Kruis’.
‘Dank u, majesteit’, zei ik, salueerde opnieuw drie tellen, maakte model rechtsomkeert en trad weer bij mijn medestrijders aan.
Toen de plechtigheid voorbij was, maakte de koningin met ons allemaal een praatje. Ik overhandigde haar de foto’s, die ik bij de landingen had genomen: de Ouwe had er vergrotingen van laten maken.
Ze bedankte me en ik moest de foto’s met haar bekijken. Ze stelde enige vragen en zei dat ze er erg blij mee was.
Tijdens de borrel stond ik even met Prins Bernard te praten. Hij vertelde me, dat hij naar Frankrijk wilde vliegen en in een formatie Amiëns wilde bombarderen.’ En wat gebeurd er, wanneer u neergeschoten wordt?
‘O ik ga vermomd. En als ik neergehaald word, is dat nog geen ramp. Ik heb een vriend die boven Frankrijk neergehaald werd, maar veertien dagen later al weer terug was!’ zei hij.
‘Hoogheid, als ik vragen mag welke onderscheiding draagt u daar?
Hebt u soms een Kouseband?’
‘Oh dat! Dat is niets! Wat jij daar hebt is meer waard dan alles wat ik op mijn borst heb’, antwoordde de prins, terwijl hij me een klap op de schouder gaf.
Na de ceremonie werd ons in Londen een groot diner aangeboden.
Het was erg gezellig, iedereen voelde zich ontspannen en op zijn gemak.
Daarna werden we ondergebracht in het Bangor Hotel, dat speciaal voor Nederlanders was gereserveerd.
Eind april 1944
Toen we uit Londen in Dundee terugkeerden, lag er een Rode Kruisformulier van mijn ouders op me te wachten.
“Beste Wijnand. Alles best. Strijbos, Meel, hun ouders erg blij .
Hoop je spoedig te zien. Bidden voor behouden thuiskomst. Goede moed. Liefhebbende ouders.
Intussen gonsde het in de kazerne van geruchten over op handen zijnde invasie.
Ik had een vrachtauto uit Londen moeten halen en zag grote troepenconcentraties. De wegen waren vol militaire voertuigen. Elke dag reden er treinen afgeladen vol met militairen naar het Zuiden. Men zei dat de Duitse spionnen overal geïnfiltreerd waren. Ze moesten een sterke vijfde colonne in Engeland hebben. Vooral in de cafe’s in Zuid-Engeland waren de militairen wel eens te loslippig.
6 mei 1944
De O-21 was weer vaarklaar en vertrok naar Amerika. Commandant was onze vroegere oudste officier Kroesen. Ik ging niet mee: in Schotland zat ik dichterbij Nederland. Ik vroeg aan de Ouwe of ik mee mocht doen met de invasie, maar hij zei dat men de Onderzeedienst er niet bij nodig hadden. Het zat hem danig dwars en mij ook.
6 Juni 1944
Het was zover ! Toen ik de radio aanzette, kwam het bericht door, dat de invasie was begonnen. De geallieerden militairen waren geland op de kust van Normandië. Er ging een gejuich op. We klapten elkaar op de schouder.
5 december 1944
Ik moest ’s morgens de commandant in een dienstwagen naar het station in Dundee rijden. Prinses Juliana zou er met de trein aankomen. De enige bewaking van het station bestond uit één bobby van bijna twee meter lang. Toen de trein Dundee binnen was, kwam Prinses Juliana bijna ongemerkt het station uit. Ik sprong in de houding en salueerde. Ze groette wat verlegen. Ik opende het portier met mijn ene hand en hield mijn andere hand aan mijn pet.
‘Denk erom, dat je niet harder dan dertig mijl rijdt’, commandeerde de Ouwe.
Ik reed eerst naar de kazerne, daar stapte de Ouwe uit. Daarna bracht ik Prinses Juliana helemaal alleen, zonder één enkel escorte naar Mayfield.
De volgende morgen moest ik haar van Mayfield naar het Holland House brengen. Ze sprak uren met de Hollanders, hun Schotse vrouwen en kinderen. We vonden haar allemaal even aardig.
Winter 1944/1945
Nederland was bevrijd tot aan de grote rivieren, Noord-Nederland had het hard te verduren. Elke dag hing ik aan de radio of er nieuws was. De berichten van de BBC werden somberder. Nederlanders aten tulpenbollen en suikerbieten, ze stierven bij honderden aan hongeroedeem. Veel Amsterdammers gingen te voet naar Friesland en Groningen om daar eten te kopen, sommige stierven onderweg van kou en ellende. De Duitsers vervoerden de Nederlanders bij wagonladingen vol naar de Duitse fabrieken of naar de concentratiekampen.. Wie kon, dook onder. Wie Joden verborg, werd doodgeschoten. Ik knarste vaak met de tanden als ik het hoorde, en balde mijn vuisten in machteloze woede. Kon ik maar wat doen! Maar ze hadden de Onderzeedienst nog altijd niet nodig.
2 februari 1945
Kreeg ik een Rode-Kruisformulier van mijn ouders:
‘Lieve Wijnand. Groeten van al de jongens. Geen zorg over ons.
Alles gaat goed. Vol goede moed. Je liefhebbende ouders’
Ik had veel geld gespaard en in Schotland was van alles volop te koop. Daarom ging ik op stap om inkopen te doen. In het warenhuis Woolworth ik keek bij elke afdeling of er iets van mijn gading bij was.
Ik graaide de spullen uit de vakken; garen, band, knopen, elastiek, badhandoeken, theedoeken, ondergoed, lappen stof, breigaren, rijst, blikjes vlees en vis, vitaminetabletten, tabak, koffie, thee, twee fietsen, een grote motorfiets.
Tenslotte had ik dertien kisten en koffers vol. Daar kwamen de souvenirs die ik overal ter wereld gekocht had, de kistjes thee uit Ceylon, de flessen likeur uit Port Said, de cadeautjes voor mijn ouders nog bij.
Alle Hollanders sloegen aan het kopen. Al gauw was er geen fiets meer in Dundee te krijgen.
5 Mei1945
Het was vrede! We durfden het nauwelijks te geloven. In alle kerken werden dankdiensten gehouden. De Duitse onderzeeboten gaven zich over, ze liepen bij tientallen de Engelse havens binnen. We kregen er ook één in de haven , de U-2326, met een bemanning van vijftien ‘rotkoppen’. De Ouwe bereidde hun een warm onthaal.
Mei/Juni 1945
Wekenlang wachtte ik op bericht, dat ik een paar dagen met verlof naar Amsterdam mocht. Ik verlangde ernaar en zag er ook beetje tegenop.
Mijn maat Rinus Bliek. één van de machinisten van de O-21 was al naar huis geweest. Hij vertelde met tranen in de ogen, dat zijn vader één dag voor zijn aankomst was overleden.
En Tom onze telegrafist, totaal ontredderd terug: zijn vrouw had gedacht dat hij gesneuveld was en was met een ander gaan wonen
’Wat moet ik nou? Wat moet ik nou?’ vroeg hij maar steeds ‘Die vent de deur uitgooien? Of scheiden?‘ ‘Dan heeft zij rust. Het wordt toch nooit meer goed tussen ons.’ En wat moet er van de kinderen worden? Toch is zij blijkbaar ook in paniek. De hele oorlog heb ik gespaard om ze na de oorlog te kunnen helpen.’
Voor het eerst naar Amsterdam
Juli 1945
Het grote moment was aangebroken. Ik mocht voor een paar dagen naar naar Amsterdam. Ik pakte mijn koffer en een grote kist vol spullen waar ze in Holland om zaten te springen.
We reisden met de Hr. Ms. O-9, onze oudste onderzeeboot. Commandant van Dulm was onze Ouwe. ‘Los voor en achter’ klonk het. We zetten koers naar Rotterdam.
( Hr.Ms. “O-9” in dienst gesteld op 18 januari 1926 op 10 maart 1926 een vaartocht gemaakt met de Koninklijke familie aan boord. Verder vele reizen gemaakt naar de Oostzee- en Edinburgh. In de meidagen van 1940 is de boot naar Engeland uitgeweken. Hr.Ms. O-9 bleek ongeschikt te zijn voor zijn oorlogspatrouille, daar gedurende de korte zomernachten de batterijen niet opgeladen kon worden. De boot werd voor Asdicoefeningen gebruikt, terwijl slecht in uitzonderingens gevallen patrouille diensten werden verricht. In 1945 keerde de Hr.Ms. “O-9” naar Nederland terug. In september 1945 werd de boot uit de sterkte afgevoerd. In oktober 1946 werd “O-9” voor sloop verkocht naar Hendrik Ido Ambacht.)
Het kanaal was al gauw van mijnen gezuiverd. Het weer was ouderwets ruw. Onze driekleur wapperde fier in de wind. Voor het eerst zag ik weer de Hollandse duinen. Er zat opeens een vuiltje in mijn oog. Dit was het! Hiervoor hadden we al die jaren gevochten en ons leven gewaagd! De Ouwe trok tevreden aan zijn pijp en streek met zijn hand door zijn baard.
Langzaam voeren wij de Nieuwe Waterweg op. Ik was roerganger en voelde me als een admiraal die een zeeslag heeft gewonnen.
Onze statiekoets was een vrachtauto. We hezen eerst onze bagage in de laadbak en klommen er toen zelf in. Via Den Haag reden we naar Amsterdam. Ik keek met verwondering naar het landschap. Daar lag een Hollandse polderland, laag en vlak met kaarsrechte sloten. “Kijk een kievit!’ wees ik verrukt.
We reden verder. Eerst naar de Marnixstraat in Amsterdam , om Hein af te zetten. Ook Hein van Dam had het overleefd. De joviale Amsterdammer. Bij zijn huis gekomen sprong Hein uit de vrachtwagen en belde aan. Zijn tante stond al klaar en kwam naar buiten met een schreeuw: ‘Nai maor Hein, bin jaij doar. Hoe bestaot ’t, leef je nog? Bij een innige omhelzing voelde tante, dat Hein een fles in zijn zak had. Ze sprong van vreugde rond ‘Nai moar Hein, hei je jajum bai je!’
Ja we waren werkelijk weer in Amsterdam!
De vrachtwagen stopte voor mijn huis. De gevel was versierd met een groot bord “Welkom Thuis” erop en de vlag hing uit. Ik sprong op de grond. Een maat hielp me met mijn koffers en mijn kist. De deur ging al open voordat ik kon aanbellen. Ik begroette mijn vader in de gang ‘Jongen’, zei hij. En nog eens: ‘Jongen!’ Dat ik dit nog mag meemaken. Wat ben je een kerel geworden!
‘Vader’, stotterde ik en eek hem aan. Hij was zo oud en zo verschrikkelijk mager. Zijn ogen zaten diep weggezonken in bijna zwarte kassen.
‘Waar is moeder? ‘ vroeg ik
‘In de keuken. Ze durfde je niet tegemoet te gaan. Ze was bang dat het een droom zou zijn’.
“Jongen ! Wijnand!, stotterde ze. De tranen stroomden over haar wangen.
‘Ik ben er weer. Ik ben terug’, zei ik zacht.
‘Ik durfde het niet te geloven’ fluisterde ze
We gingen naar de kamer. Ik zat weer op mijn oude plekje. We keken elkaar aan en wisten nauwelijks iets te zeggen. Moeder begon met de kopjes te redderen; het verbrak de spanning een beetje. Ze schonk koffie. Tenminste zo noemde ze het bruine vocht dat er in mijn kopje kwam.
Ik dronk het op en vroeg; ‘Zouden jullie een echt kopje koffie lusten?’
‘Echte koffie?’ vroeg vader ongelovig.
Ik sprong op en maakte mijn kist open. ‘Alsjeblieft!’ zei ik trots, terwijl ik ze leeg pakte. Moeder was sprakeloos van verrassing en de tranen stroomden alweer over haar wangen. ‘Maar jongen, het is veel te veel’, zei vader schor.
‘Niets te veel’, antwoorde ik.
‘In Dundee heb ik nog veel meer. Ik weet alleen nog niet hoe ik het hierheen moet krijgen’
‘ En dit heb ik meegenomen om mijn thuiskomst te vieren. Echte likeur, in Port Said gekocht!’ terwijl ik de flessen likeur op tafel zette.
‘In Port Said? Ben je daar geweest?’ vroeg vader verrast.
‘O ja , en in Zuid-Afrika, Colombo, Australië!’, vertelde ik lachend.
Even later geurde het huis naar vers gezette koffie en stopte vader zorgzaam zijn pijp met echte tabak.
De volgende dag moest mijn vader weer aan het werk. Ik zwierf een beetje door Amsterdam, terwijl mijn moeder in huis redderde. De stad was mijn oude Amsterdam niet meer. De huizen waren verveloos, in de parkien waren veel bomen gesneuveld, in de Jodenbuurt hele huizen ingestort, in de straten zaten gaten. De haven miste zijn bedrijvigheid. De mensen waren mager, hun kleren sjofel. Ik voelde me onwennig en betrapte me erop, dat ik nu al heimwee naar Dundee had. ’s Avonds haalde moeder me over om mee te naar een oom en tante te gaan. Ik had er helemaal geen zin in. Ik wilde deze dagen van mijn ouders genieten, die familie kwam later wel eens. Maar moeder bleef zeuren en om haar een plezier te doen gaf ik toe.
Toen we het huis binnen gingen, hoorde ik een geweldig geroezemoes van stemmen. Toen ik de kamer in liep, zaten daar maar liefst vierenzestig familieleden en vrienden.
Het werd een geweldig weerzien, mooier dan het mooiste feest dat ik ooit in Dundee had gevierd. Maar ik moest ook mijn belevenissen vertellen vanaf mijn indiensttreding bij de marine. Die avond deelde ik vijfhonderd sigaretten uit, voor die tijd een ongekende weelde! Mijn eerste verlof ging als een droom voorbij.
Terug in Dundee leidden we een goed leventje, bezocht ik vrienden in Birmingham, waren er veel zwerftochten door de Hooglanden, zong de befaamde Richard Tauber voor ons en nam ik het met een gedicht afscheid van onze vrienden. Ik had er een half uur op zitten broeden.
‘I sall always remember
I shall never forget
The day I came to Dundee
The day we met
And when I am back
At home or the sea
Sweet Bonny Dundee!
Mijn tweede vaderland kon ik nooit meer vergeten. Niemand van ons
InDundee liepen we onze laatste parade, afgenomen door de bekendeUrquhart. De man van de slag om Arnhem.
Het was een moeilijke zaak voor ons. Direct voor ons liep een brassband en dicht achter ons een corps pipers uit de Schotse Hooglanden. Maat houden leek bijna onmogelijk!
De onderzeedienst terug naar Holland
1946
Inmiddels werd de Onderzeedienst in Rotterdam weer opgebouwd. Wij lagen in houten barakken. Nu gebruikten wij de Duitse bunkers als ons onderkomen. De oorlogsvrijwilligers, nieuwe matrozen stroomden toe. Met de komst van deze nieuwelingen en een andere mentaliteit, veranderde onze marine. Het werd nooit de oude meer. Dan kwamen de Marva’s! Toen een doorn in het oog van onze marineman. De schipper liep te brullen dat hij nooit een vrouw aan boord wilde hebben, toen hij op de “plunjelijst” keek!
Op zeker dag kreeg ik een grote stapel ‘ontevredenheidsbetuigingen’ op mijn bureau: of ik die maar wilde uitreiken, één voor één.
Zij waren bestemde voor een groot aantal onderofficieren, die destijds niet vanuit Nederlands-Indië naar Australië durfden over te steken , bang dat ze door de Jappen getorpedeerd zouden worden.
En wat liepen deze heren met ballen onder hun armen op de basis Rotterdam rond! En brullen, wanneer iemand niet voor hen salueerde. We genoten, dat we hen beschaamd konden laten staan.
Het werd nog erger. Op een dag stond ik opeens oog in oog met onze Vlissingse baksmeester, die in 1940 was gedeserteerd. We keken elkaar wel een minuut lang aan zonder iets te zeggen. Ik ontmoette er ook een gedeserteerde marinier: hij had zich weer gewoon voor de dienst aangemeld, alsof er niets aan de hand geweest was. Ze zouden het in bezette Nederland ook wel benauwd hebben gehad, maar hadden het vechten tegen de moffen aan ons overgelaten. Het was bitter , dat ze gewoon geaccepteerd werden, alsof ze normaal hun plicht hadden gedaan. Toch wilde ik ze niet aangeven en van desertie getuigen. Ik hield het maar voor me.
Eindelijk lagen nu al onze onderzeeboten weer afgemeerd in Rotterdam. Een nieuw tijdperk was begonnen. Met de tijd zou onze basis in Schotland langzaam verdwijnen, maar we zouden haar nooit vergeten.
Aan het begin van elk verlof reed ik op de motor naar mijn ouders. Op een zondag liepen mijn ouders en ik met oude vrienden uit de kerk naar huis. De vriende hadden een dochter. Ze heette Gré.
We hadden samen op de lagere scholl gezeten. Ik liep naast haar, we haalden herinneringen op.
Voortaan ontmoette ik Gré telkens, als ik in Amsterdam was. We praatten veel, over wat we in de oorlog beleefd hadden.
Ze had Joodse kinderen door de Moffen in vrachtwagens zien gooien, ontrukt aan hun gillende ouders. Ze had ook onder meer een Joods echtpaar naar Friesland gebracht, onderduikers.
We praatten over mijn moeder, die de Joden waarschuwde voor de komende razzia’s. Hun voedsel bracht, omdat ze het niet meer konden kopen. Mijn vader, die berichten doorgaf aan de ondergrondse.
Berichten uit Londen, verstopt in zijn schoenen. De Joden die hij wegbracht, de distributiebonnen, die hij bij de hongeringen bezorgde. Ach, zoveel meer.
We waren allebei teleurgesteld in de bevrijding.
Maar waren diep in ons hart God dankbaar, dat we de oorlog hadden overleefd. Dankbaarheid aan Hem, die heerst van strand naar stranden.
Hij die ons opnieuw de kracht gaf om verder te gaan. Dat waren we ons bewust. Toen ontdekten we opeens dat we van elkaar hielden.
Juni 1946
Nog eenmaal keerde ik terug naar Londen, om deel te nemen de grote overwinningsparade, de Victory March.
Aan de overwinningsparade namen tienduizenden militairen deel uit alle delen van de Wereld.
Er waren Papoea’s, Chineze, Arabieren, Pakistani, en veel meer. Het werd een succes.
Voor de Parade werden wij geïnspecteerd door onze bekende vice admiraal Helfrich.
Hij kwam bij de sergeant-machinist naast mij.
“Wat is dit voor een onderscheiding?” vreoeg hi. Stram in de houding en met hoog rode kleur antwoorde de sergeant: ‘Kruis van verdiensten’ Excelentie’
“En wat is deze onderscheiding?’ vroeg de kleine admiraal verder
‘De vierdaagse, Excelentie’, zei de stem schor.
Ik barstte bijna van het lachen
‘En wat betekent dat kroontje erop?’
‘Tweemaal de vierdaagde, Excelentie’, antwoordde de sergeant.
Churchill inspecteerde eveneens de troepen. Ik wist hem van achter de in het gelid staande collega’s te fotograferen, Hij lachtte vriendelijk, met zijn onafscheidelijke sigaar in de hand.
Marineman Af
Maart 1947
Ik werd opgeroepen voor een keuring. Ik kreeg geen uitsluitsel.
‘Doe de eerste drie maanden kalm aan’, zei de militaire arts.
Het was druk op kantoor. Van dat kalm aan doen kwam dan ook niets terecht.
Juni 1947
Ik werd plotseling naar Den Haag geroepen. Daar onderging ik een strenge medische keuring. Lichamelijk mankeerde ik niets.
Een poosje later werd ik opnieuw opgeroepen. De officier van gezondheid had lijkbaar rapporten over me gestuurd. Enige militaire artsen keurden me nog eens. Ze kwamen tot de conclusie dat ik lichamelijk gezond was, maar dat mijn zenuwen door de dieptebom-aanvallen een knauw hadden gekregen. Ze verklaarde dat ik ongeschikt was voor de zeedienst. Ik was afgekeurd!
Voor de laatse maal liep ik de poort van de kazerne uit, met een brok in mijn keel. De Marine was mijn leven geweest. Ik had er al schooljongen al van gedroomd. Nu was ik dan gepensioneerd op mijn vierentwintigste jaar!
Mijn vrienden en familieleden zeiden: ‘Joh, je bent pas vierentwintig, je hebt nog een heel leven voor je’.
Of: ‘Je kunt nog van alles worden’.
Dan knikte ik. Ze hadden gelijk. Maar ik voelde me niet meer thuis in het bekrompen overbevolkte Nederland en ik wilde geen burgermannetje worden.
24 november 1949
Ik trouwde met Gré. Eindelijk had ik rust gevonden, al was ik nog lang niet aan de burgermaatschappij gewend. Dat zou wel tien jaar duren.
In de Keizersgrachtkerk miste ik mijn oude vriend Tom. Onze telegrafist was er niet meer. Hij was met zijn motor verongelukt in de Maastunnel te Rotterdam. Daarmee was aan al zijn zorgen en getob een einde gekomen.
Mijn ouders leefden nog en ik was niet meer alleen, Gré hoorde bij me.
Op 8 juli 1955 werd onze zoon geboren. We noemden hem Wijnand, naar mijn vader en naar me zelf.
Op 14 juli 1947
Kreeg de Onderzeedienst het Vaandel, waaraan het ordeteken van Ridder der 4de klasse der Militaire Willemsorde hing. De Onderscheiding werd aan de dienst verleend wegens ‘het gedurende de tweede wereldoorlog uitgemunt hebben door voortdurende uitstekende daden van moed, beleid, en trouw van officieren en manschappen tijdens operaties tegen meestal overmachtige vijanden in nagenoeg alle wereldzeeën.










